Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bommoeder - (bewust ongehuwde moeder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bom-moeder zn. ‘bewust ongehuwde moeder’
Nnl. BOM-groep ‘(groep van) bewust ongehuwde moeders’ [1981; Coster 1999], B.O.M. ‘bewust ongehuwd moederschap’ [1983; Coster 1999], bom in spe ‘bewust ongehuwde moeder in spe’ [1986; Coster 1999], BOM-moeder ‘bewust ongehuwde moeder’ [1988; Coster 1999].
Bom is de afkorting voor ‘bewust ongehuwde moeder’. Doordat de afkorting niet meer transparant was, kreeg bom- de betekenis ‘bewust ongehuwd’ en werd -moeder hypercorrect ter verduidelijking toegevoegd.
Analoog ontstonden de vormen B.O.V. ‘bewust ongehuwde vader’ [1984; Dale] en BOV-vader [1991; Verschueren].

EWN: bom-moeder zn. 'bewust ongehuwde moeder' (1981)
ANTEDATERING: eerst de BOM.-Bewust Ongehuwde Moeders en BOM-vrouw [1978; Het Parool 14/11]
Later: BOM-moeder "bewust ongehuwde moeder" [1980; Leidsche courant (Ld) 30/12] (EWN: 1988)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bommoeder [vrouw die haar kind alleen wenst op te voeden] {1984} het eerste lid van b(ewust) o(ngehuwde) m(oeder).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bommoeder vrouw die haar kind alleen wenst op te voeden 1981 [De Coster 1999] <L

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bommoeder, -vrouw, acroniem van bewust ongehuwde moeder. Sinds begin jaren tachtig.

In Nederland heeft de laatste jaren de zogenaamde ‘BOM-groep’ van zich doen spreken: Bewust Ongehuwde Moeders. (Emma en Lodewijk Brunt: Het goede leven, 1981)
B.O.M. Stukje geheimtaal om een trend aan te duiden die bij oudere conservatieve mensen is ingeslagen als een bom: het Bewust Ongehuwde Moederschap. (Hans Ferrée: Het trendletter ABC, 1983)
Vervolgens heb ik advertenties geplaatst in de trant van ‘bom in spe zoekt donor’. (Opzij, oktober 1986)
Tien jaar geleden traden de eerste BOM-vrouwen naar buiten. Maar de BOM-groepen die toen ontstonden, bestaan niet meer. En nog maar zelden laat een bewust ongehuwde moeder zich BOM noemen. (Elsevier, 05/12/87)
Nou, ik heb geen zin een BOM-moeder te worden. Als ik zo een kind moet hebben, heb ik jou niet nodig. (Theo Kars: Losbandig leven, 1988)
Het predikaat Bom wordt tegenwoordig veel te snel opgeplakt, want het alleenstaand moederschap lijkt vaak toch een tweede keuze, voorkomend uit het ontbreken van (goede) mogelijkheden om samen met een partner kinderen te krijgen en/of op te voeden. (Opzij, juli/augustus 1989)
Veel alleenstaande vrouwen verlangen ondanks alles naar een liefdesrelatie — of ze gescheiden, weduwe, Bom of nooit getrouwd geweest zijn. (Opzij, februari 1991)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut