Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bombarie - (drukte, spektakel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bombarie zn. ‘drukte, spektakel’
Nnl. bombarie ‘rumoer, drukte’ [1720; WNT].
Mogelijk klanknabootsende nieuwvorming, maar dan toch met echo's van mnl. bombare, dat naast bombaerde (< Frans bombarde, eerder bombare, een afleiding van Latijn bombus ‘geraas’, waarvandaan ook → bombarderen, → bom 1) voorkwam, en ‘een soort kanon’ of ‘een muziekinstrument als de hobo (Nederlands bombardon)’ betekende [1350-1400; MNW], met de verzwaarde uitgang -ie zoals ook in → herrie, → ruzie.

EWN: bombarie zn. 'drukte, spektakel' (1720*)
ANTEDATERING: Bombarie 'Bombario' (naam in hekelschrift) [1720; Tafereel 2, 2]
Later: Bombarie-Actien 'gebakken-lucht-aandelen' [1721; E.Mercurius 2, 3] (EWN: 1720*); het "Bombario" der "Sanctificatie" 'het spektakel der heiligverklaring' [1722; Weyerman 1, 62]
{* De datering van de attestatie in het EWN moet geschrapt worden. De oudste attestatie in het WNT-lemma is uit 1811.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bombarie [lawaai, ophef] {1720} van middelnederlands bombaerde, bombare [werktuig om stenen te slingeren, later stuk geschut, ook een soort hobo] {1350-1384} < frans bombarde, van bombe (vgl. bom1); het verbindend element tussen geschut en bombarie is het kabaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bombarie znw. v., eerst nnl. is een klanknabootsende vorming. FW 81 herinnert aan het mnl. bombare, bombaerde ‘balista, kanon, soort muziekinstrument’ < fra. bombarde afgeleid van mlat. bombus ‘geraas’ (zie: bom 1). Maar dan zou men moeten aannemen, dat het vroegnl. woord nog voldoende in het taalbewustzijn leefde, toen het huidige bombarie opkwam; dat lijkt mij weinig waarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bombarie znw., eerst nnl. Onomatopoëtische formatie, die te eer op kon komen, doordat er een ander - onomatopoëtisch gevoeld - mnl. oudnnl. bombāre, bombaerde v. “werktuig voor ʼt slingeren van steenen, kanon, soort van muziekinstrument” bestond. Dit is ontleend uit fr. bombarde = it. bombarda, een afl. van lat. bombus (zie bom II). Voor den secundairen uitgang -ie vgl. klandizie, ruzie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bombarie v., afgel. van Mnl. bombare, bijvorm van bombaerde, dat gelijk in 't Fr., ook de naam was van een luidruchtig speeltuig (z. bombardeeren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bombarie (zn.) lawaai, ophef; Nuinederlands bombarie <1720> < Frans bombarde.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

bombalie: – bombarie – , “lawaai, opskudding”; Ndl. bombarie (sedert vroeg 18e eeu uit bombarde) uit Fr. bombarde, It. bombarda, uit Lat. bombus, “geraas”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bombarie ‘lawaai, ophef’ -> Sranantongo b'bari ‘lawaai, ophef; geluid; alarm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bombarie lawaai, ophef 1720 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

285. Bombarie maken (of slaan),

d.w.z. drukte, lawaai, ophef, boeha maken. De afleiding van dit woord bombarie is niet geheel zeker. Men houdt het voor een klanknabootsend woord, wellicht ontstaan onder invloed van bombare, bombaerde, kanon, ook soort muziekinstrument (fr. bombarde; zie Franck - v. Wijk, 81). Het komt dikwijls voor in hekelschriften over en spotprenten op den windhandel. Daarop vindt men meermalen een gebrekkige voorgesteld, veelal in harlekijnskleeding, met den naam Bombario of Bambario op zijn rug, of op zijn mars; deze figuur stelde den windhandel voor, en was vooral een toespeling op de daarbij voorkomende bedriegerij. Zoo staat op een prent als bijschrift:

 Cartouche ryd naar broer Jaco

 En roud om neef Bombario.Hier is dus Bombario verwant aan twee beruchte dieven. Elders vindt men genoemd een professor Bombarismi, en zelfs Sint Bombario. Zie Brieven v. Abr. Bl. I, 194: bombario maken; Ndl. Wdb. III, 328; Jord. 331; Panthéon, no. 5, bl. 110-111; Bouman, 15; het fri. bombaerje, leven, ophef, vertooning maken; Molema, 50 a: bomberen, razen, tieren; Bergsma, 64: bombarie maken, bombéren, razen, tieren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut