Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bolderik - (volksnaam of oude naam voor avondkoekoeksbloem)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bolderik* [plant] {bolric 1406} met verkleiningsuitgang -ik, van bol1, vanwege de bolle zaaddoos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bolderik znw. m., mnl. bolric naast bel(le)ric; in de dial. vinden wij de vormen: bol, bolbloemen, bolder, boldert, bolle. De plant is genoemd naar de bolle zaaddoos. Bolderik zal met het possessiefsuffix -ik van bolder afgeleid zijn. Voor de verhouding van bol en bolder zie die van pol en polder ( J. H. van Lessen Ts. 56, 1937, 1-6).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bolderik znw., mnl. bolric, waarnaast bel(le)ric o., wsch. met secundaire e. Voor ’t suffix vgl. dravik. Afl. van bol I of bol III. Dial. bijvormen: bol, bolbloemen, bolder, boldert, bolle.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bolder 2, bolderd, bolderik m. resp. v. (plant), Mnl. bolric, met epenthet. d afleidingen van bol 1.

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Melándrium | Melándrium álbum: Avondkoekoeksbloem
De naam Melandrium komen we bij Plinius tegen, en is ontstaan uit de Griekse woorden melas: zwart, en drys: eik, dus zwarte eik. Welke plant hiermede bedoeld werd is niet nader te definiëren. Deze naam is later waarschijnlijk op dit geslacht overgegaan. De witte (album) bloemen openen zich tegen de avond. De bestuiving van de bloem geschiedt dan ook door nachtvlinders, die behalve op de witte kleur van de bloem, ook afkomen op de geur die zij verspreidt. In
oostelijk Drente en Salland en op de Veluwezoom heet deze plant Witte koekoeksboem, terwijl de Dagkoekoeksbloem (M. rúbrum) in die streken Rode koekoeksbloem genoemd wordt, vanwege de rode (rubrum) bloemkleur. Deze namen lijken ons beter dan de Avond- en Dagkoekoeksbloem. Dit te meer omdat er ook nog de Nachtkoekoeksbloem (M. noctiftórum) bestaat. In de Flora van Heimans, Heinsius en Thijsse vinden we nog vermeld: ‘De namen Avond- en Dagkoekoeksbloem lijken weinig doeltreffend. De knoppen van de Avondkoekoeksbloem gaan open in de namiddag, die van de Dagkoekoeksbloem gaan open in de namiddag, die van de Dagkoekoeksbloem reeds in de avond, maar ook nog in de morgen. De grote, witte bloemen van de Avondkoekoeksbloem maken in de schemering wel veel indruk.’ Het verdient wellicht aanbeveling om bij een herziening van de Nederlandse plantenamen hieraan de nodige aandacht te schenken. (De laatste herziening vond plaats in 1906.)
De naam Koekoeksbloem verbonden met dag, avond of nacht wil men als volgt verklaren: deze planten bloeien als de koekoek weer in ons land is aangekomen en begint te roepen. Dit is wel zeer onwaarschijnlijk, want de roep van de vogel is reeds lang aan de gang, eer de plant in bloei komt. Waarschijnlijker en aannemelijker is het feit dat deze planten veelal bezet zijn met ‘koekoekspog,’ waarin zich de larve van een schuimcicade bevindt. Zie hiervoor verder nog bij Lychnis. Een andere uitleg is een, die op een volksbijgeloof berust en wel, dat, waar de koekoek heeft gespuwd een Koekoeksbloem zal ontstaan.
De naam Witte bolderik in Zeeuws-Vlaanderen duidt op de gelijkenis van de bloem met die van de Bolderik (Agrostémma githágo). De eerste heeft witte en de andere heeft purperen bloemen. Hetzelfde is het geval met Witzeepkruid. Deze naam attendeert hier op de gelijkenis van de witte bloemen met die van de lila tot lichtrose bloemen van het Zeepkruid (Saponária officinális). Trouwens deze laatste soort is nauw verwant aan de Avondkoekoeksbloem. Dit blijkt onder meer uit het eertijds plaatsen van het Zeepkruid in het geslacht Lychnis; het heette toen Lychnis saponária. Ook het huidige geslacht Melandrium was vroeger ingedeeld bij het geslacht Lychnis, maar werd evenals het vorige op botanische kenmerken daarvan afgesplitst. De naam Boksenpijpen of Boksenpiepen, in het Groningse aan de plant gegeven, wil zeggen broekspijpen en slaat op de vorm van de kelk die zeer wijd is, zo vinden we vermeld in het Nieuw Gronings Woordenboek van K. ter Laan. In het nabije Oostfriesland spreekt men van Büksenpuffert.

Lýchnis | Lýchnis flós-cúculi: Koekoeksbloem
De naam Lychnis is afkomstig van het Griekse woord luchnos, dat lamp of licht beduidt, en slaat op de rode bloemkleur bij enkele soorten van dit geslacht, of op het gebruik als lampepit van het gedroogde kruid. Een andere opvatting luidt dat de zaadurnen gelijkenis vertonen met de olielampen uit de Oudheid.
De Latijnse soortnaam flos-cuculi luidt letterlijk vertaald koekoeksbloem. Deze naam kreeg de soort omdat de terugkomst van de koekoek uit zijn winterverblijf samenviel met de hoofdbloei van de plant. Men beweert ook dat de naam slaat op het zogenaamde Koekoekspog, dat veelvuldig op dit kruid voorkomt. Dit spog wordt veroorzaakt door de larve van een schuimcicade (Philáénus spumárius). Het beestje kan men vinden tussen het door hemzelf uit de plantesappen gemaakte schuim. De naam Koekoeksbloem met de nodige dialectische en gewestelijke vormen komt op vele plaatsen voor.
Vanwege de vleesrode kleur van de bloem spreekt men op verscheidene plaatsen van Vleesbloem of Vleesblomen. Een eveneens veel voorkomende volksnaam is Pinksterbloem, vanwege het bloeien omstreeks deze feestdagen. De in westelijk Noord-Brabant voorkomende naam Haneklauwen duidt op de gelijkenis van de bloemkroon met de poot van een haan, althans dit meende men te zien. In het nabije België spreekt men van Hanepoten.
In onze jeugd noemden wij de plant Gerafelde koekoeksbloem vanwege de rafelige en slordige indruk die de bloem maakt. Deze naam zijn we tot nu toe nog niet in een of ander boek tegengekomen. In Duitsland spreekt men van Schlampetes Madli, zoiets als ongekamd meisje of sloddervos. Overeenkomstig spreekt men in Engeland van Ragged Robin, dus in lompen gehulde Robert en op de Shetland eilanden van Ragged Willie. In Zeeuws-Vlaanderen noemt men haar Paarse bolderik, dit ter onderscheiding van de verwante Bolderik (Agrostémma githágo), die vroeger Lychnis githágo heette. In het Friese gebied kent men haar als Miedeblom, hetgeen wil zeggen Weidebloem. Naar aanleiding van dit groeien op vochtige weilanden kreeg ze ook de naam Kikkerbloem in Oost-Drente. Daar dit vochtige weilanden van niet al te beste kwaliteit waren, sprak men in Waterland van Armoedsbloem.
Namen die thans niet meer voorkomen zijn: Haanderikkebloem en Haanderiksbloem. In het midden van de vorige eeuw was de eerste naam nog in gebruik in de Vijf-Heren-landen, zo deelt van Hall mede. Slaat men het Woordenboek der Nederlandsche taal op dan lezen we: ‘Haanderik vermoedelijk een afleiding van Haander met ik, dat men aantreft in Ganzerik, die ook gevormd is van de naam van een mannetjesdier.’ Verder onder Haander onder meer: ‘Met hetzelfde achtervoegsel er, dat men in doffer, duiver en kater aantreft.’
Maar daarmede is het verband met een mannetjeskip nog niet gevonden. Kan het misschien zijn dat men in de rode bloemkroon de rode kam van een haan meende te zien, zoals men daar ook een Hanepoot in zag, zoals reeds vermeld? Dus is Haanderiksbloem opgebouwd uit haanderik: haan, en bloem: Hanebloem. In verband hiermede willen we nog wijzen op de naam Haonblom uit de Altmark (Duitsland), welke we vonden in ‘Die deutschen Volksnamen der Pflanzen’ van Pritzel und Jessen. De plant schijnt nauwelijks gebruikt te zijn in de geneeskunde, zowel in de officiële als in de volksgeneeskunde.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut