Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bolder - (paaltje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bolder zn. ‘paaltje’
Vnnl. polder ‘balk’ [1565; WNT]; nnl. bolder [1859; WNT].
Ontleend aan Frans poltre ‘veulen’ [1318] (vanwaar poutre (metaforisch) ‘balk’) < middeleeuws Latijn pulliter (genitief -tra) ‘veulen’, een afleiding bij klassiek Latijn pullus ‘jong dier’. Naast bolder komt volgens het WNT ook nog (dialectisch) polder voor. De vorm met b- zal mede onder invloed van → bol 1 zijn ontstaan en uit homoniemenvrees met polder ‘laag liggend omdijkt land’.
De betekenisontwikkeling in het Frans verliep vergelijkbaar met, in het Nederlands, bijv. (tuin)slang, (hijs)kraan, (storm)ram of (schilders)ezel: door vormovereenkomst gingen diernamen als benamingen voor gereedschap fungeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bolder1 [klamp] {1856, polder 1574} < oudfrans poltre (frans poutre), waarbij de betekenis overging van ‘veulen’ naar ‘balk’, van latijn pullus, pulletrus, poledrus [hengstveulen, veulen], pulletra, pultrella [merrieveulen]; voor de betekenisovergang van dier naar instrument vgl. bok, paard, ezel, chevron, kat, slang, onager, bidet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bolder znw. m., scheepsterm: ‘paaltje om touwen aan vast te maken’, vla. bollerd, bollaard. Kiliaen heeft de vorm polder en dit komt < ofra. poltre, poldre (nfra. poutre) ‘balk’, sedert de 14de eeuw, eigenlijk ‘veulen’ < vulg. lat. *pulleter, afleiding van lat. pullus. — nd. poller, boller en vandaar > ne. bollard (indien dit niet rechtstreeks uit het zuidnl.), noorw. puller, de. pullert, zw. pollare.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bolder (scheepsterm: paaltje om touwen aan vast te maken), sedert Kil., die alleen den vorm polder kent; dial. (vla.) bollerd, -aard. Uit ofr. poltre (poldre) “balk” (fr. poutre), oorspr. “veulen”, een rom. afl. van lat. pullus “id.”. Vgl. ndl. bok, dat voor allerlei werktuigen gebruikt wordt, e. dgl. meer. De b is o.a. aan den invloed van bol I toe te schrijven, dat sedert Kil. ook = “caudex, truncus” voorkomt. Uit het Ndl. ndd. poller, boller en uit het Ndl. resp. Ndd. eng. bollard, de. pullert, noorw. puller.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bolder. Bij de genoemde scand. woorden kan nog worden gevoegd zw. pollare, eveneens aan het Ndd. of Ndl. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bolder 3 m. (paaltje), Kil. polder, uit Ofra. poltre (Nfra. poutre) = balk, van Lat. pullitram (-a), afleid. van pullus = veulen (z.d.w. alsook palei).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bolder klamp 1856 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut