Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bokkenpruik - in de uitdrukking de bokkenpruik ophebben

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bokkenpruik in de uitdrukking de bokkenpruik ophebben [ontstemd zijn] {1858} de uitdrukking dateert uit de 18e eeuw, de pruikentijd; droeg men de pruik slordig, scheef, als een bok [een nors mens], dan zag men daarin een teken van onverschilligheid.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

de bokkepruik

Wie de bokkepruik opheeft, is uit z’n humeur, is met z’n verkeerde been uit bed gestapt. De bok staat bekend als een nors en onvriendelijk dier. Maar wat moeten wij met die pruik beginnen? Uit de zegswijze: hij is slecht gemutst, kan worden afgeleid dat de wijze, waarop men de muts droeg, als een aanwijzing gold voor het humeur van de drager. Ditzelfde geldt voor de pruik. De pruik zit hem scheef betekende oudtijds: hij is slecht geluimd. En wie zich uit Woutertje Pieterse de figuur van Meester Pennewip herinnert, weet hoe belangrijk de positie van ’s mans pruik was bij de beoordeling van de dichtvoortbrengselen zijner leerlingen.

De bokkepruik op hebben wil dus zeggen: de pruik zó dragen dat men daaruit de bokkige stemming van de drager kan afleiden.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

281. De bokkepruik ophebben.

Deze uitdrukking dateert uit den tijd, dat men algemeen pruiken droeg, dus uit de 18de eeuw. Het op een bepaalde wijze dragen van die pruik of ook van den hoed werd als kenteeken beschouwd der stemming van den drager. Zat de pruik netjes, had men veel zorg aan het toilet besteed, dan maakte men daaruit op, dat de drager van dat hoofddeksel goed gehumeurd was. Stond daarentegen de pruik scheef, zat ze slordig, dan merkte men dat aan als een kenteeken van onverschilligheid, norschheid, ontevredenheid, de stemming van een bok, een norsch mensch, en had hij de bokkepruik op. Vgl. hiermede de uitdr. de pruik zit hem scheefWolff en Deken, De fam. Wijsneus en hun boek: Ja wat zou ons beletten onze pruiken op zestig graden te schuiven?, hij is uit zijn humeur; de pruik op krijgen, boos worden (Jord. 89) en goed (of slecht) gemutst zijn. Zie Noord en Zuid XIX, 27; Ndl. Wdb. III, 269; Slop, 25 en vgl. het fri. de bokkeprûk op ha; nd. de Prück steit ämm verkêrt; ha hât de Prük wieder verkieht stonn (Eckart, 400). In de Zaanstreek: een grim ophebben (Boekenoogen, 1313); in de 16de eeuw: de grimmuts opsettenVeelderh. Geneuchl. Dichten (ed. Letterk.), bl. 27..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut