Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bok - ((SN) berisping)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

III. bok (de, -ken), 1. standje, berisping. Een van die oudere dochters van die kuisheidsduivel wilde steeds wat aan de kwaliteit van dat beeld [televisie] veranderen. Maar ze werd met veel bokken weggejaagd door d’r vader, die veel te hard schreeuwde (Cairo 1977: 165). - 2. belediging (meer met daden dan met woorden). Eddy heeft de palen van mijn erf* verzet. Dat is een bok! - Etym.: Er zijn twee mogelijkheden: (a) Van Spaanse* bok, een strafoefening met zweepslagen die vroeger op slaven werd toegepast (Huisman-Bazuin). (b) Vgl. de veroud. AN uitdr. ‘iemand een (droge) bokking geven’ = een standje geven, een ernstig verwijt maken; een ‘bokking’ is een soort vis. - Zie ook: bokken* (I en II).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bok ‘(Surinaams-Nederlands) snauw, standje’ -> Sranantongo bok ‘snauw’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut