Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bok - (mannetje van de geit; werktuig e.d.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bok zn. ‘mannetjesgeit’
Onl. mit buckin (datief mv.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. als bijnaam in Michil buc [1210-40; CG I, 5], boc, boccen (verkleinwoord) ‘bokje’ [1240; Bern.].
Ohd. boc, buc [9e eeuw] (nhd. Bock); nfri. bok; oe. buc; on. bukkr, bokkr (nzw. bock); < pgm. *bukka-.
De verdere etymologie is onduidelijk. Gewoonlijk wordt een grondvorm pie. *bhuǵ-no- aangenomen, met palatale -g- op grond van Avestisch būza- en Afghaans vuz ‘bok’ en met -no- om de geminatie te verklaren. De geminatie is ook in de Keltische vormen aanwezig: Oudiers bocc; Cornisch boch < Keltisch *bukko-. Of hier sprake is van ontlening door de ene taalgroep aan de andere, dan wel van een gemeenschappelijke ontwikkeling, is nog niet opgehelderd. Evenwel wijst Sanskrit bukka- ‘bok’ erop dat naast pie. *bhuǵ- ‘bok’ ook buiten het Germaans en het Keltisch gegemineerde (affectieve, klanknabootsende) vormen konden ontstaan. Vaak aangehaald worden Sanskrit bukkati ‘hij blaft’ (wat echter niet echt bij bok past), bukkāra- ‘geblaf, gebrul, gekrijs’. Bok zou dan oorspr. ‘de blater’ betekenen.
In overdrachtelijke zin wordt bok onder meer gebruikt voor ‘hijswerktuig’ en voor ‘bepaald gymnastiektoestel’, vermoedelijk naar de uiterlijke overeenkomst.
bokkig bn. ‘koppig, nors’. Nnl. bokkig ‘onbeleefd, lomp’ [1860; WNT]. Afleiding van bok in de overdrachtelijke betekenis ‘lastig, koppig dier of mens’.

EWN: ♦ bokkig bn. 'koppig, nors' (1860)
ANTEDATERING: vnnl. bokkig 'bokachtig' in: sachmen den armen verliefden bockighen Godt "Faunum" [1604; Van Mander, 78r]
Later: je trotse bokkigheid [1740; iWNT ui]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bok1* [mannetje van de geit] {oudnederlands buck 901-1000, middelnederlands boc, buc} middelnederduits buck, oudhoogduits bock, oudnoors bukkr, oudengels bucca; buiten het germ. armeens buc [lam], oudindisch bukka- [bok], avestisch būza-, perzisch boz, ook in het kelt.: oudiers bocc, welsh bwch (de kelt. woorden zijn echter mogelijk ontleend aan het germ.); frans boucher en daaruit engels butcher [oorspr. bokkenslachter], hetzij uit het kelt., hetzij uit het germ. stammend. De uitdrukking een bok schieten [een flater begaan] < hoogduits einen Bock schiessen. In de taal van de schuttersgilden betekende Bock een schot dat ernaast ging.

bok2* [hijsstellage, werktuig, bok van een rijtuig] {boc(k) [werktuig om geschut op te leggen, hijswerktuig] 1523; de betekenis ‘bok van een rijtuig’ 1872} hetzelfde woord als bok1; er zijn talrijke werktuigen naar dieren genoemd, vgl. ram, paard, ezel, kat, slang, onager, chrevon.

bok3* [platboomd vaartuig] {boc 1481-1483} oorspr. een grote en brede platboomde schuit gebruikt voor het lichten van gezonken schepen, van bok2 [hijswerktuig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bok 2 znw. m. ‘naam voor werktuigen’ plaats van de koetsier’, eig. vierpotig toestel om iets te dragen. Het zelfde woord als bok 1. Zie ook de betekenisoverdracht in woorden als ezel en paard (gymnastiekwerktuig).

bok 3 znw. m. ‘hijswerktuig voor zware lasten’ is ook bok 1 in overdrachtelijke betekenis. Maar het woord bet. ook ‘platboomd vaartuig waarmee men gezonken schepen licht’; dit kan naar de er op geplaatste scheepsbok genoemd zijn, maar misschien eerder afgeleid van het ww. bokken en wel omdat de boeg bij het lichten bokt of vooroverhelt (WNT 3, 265).

bok 1 znw. ‘diernaam’, m. mnl. boc, buc, onfrank. buck, mnd. buck, ohd. bock, on. bukkr, daarnaast de n-stam oe. bucca (ne. buck). — av. būza ‘geitebok’, arm. buc ‘lam’, miers bocc (< *bhugno) ‘bok’.

De overeenstemming van het germ. en ierse woord voert op een grondvorm *bhugno ‘gebogen’, vgl. oi. bhugna, dan zou het dier naar zijn gekromde horens genoemd zijn (Bloomfield, Festschr. Sievers 1925, 93). Dan moet men dus aanknopen aan buigen. — Men kan de kk ook op andere manier verklaren; Meillet MSL 15, 1909, 336 denkt aan een hypocoristische verdubbeling, zoals in lat. vacca of salisch-frankisch coccus ‘haan’ (vgl. AEW 324 onder kokr).

bok 4 znw. in de uitdrukking ‘een bok schieten’ is in de 18de eeuw overgenomen uit nhd. einen bock schieszen. Men pleegt dit te verklaren uit het oude gebruik, dat de slechtste schutter een bok als troostprijs kreeg (Kluge-Mitzka 87).

Of komt de uitdrukking uit het kegelspel? Als de bal van de plank rolde, bonsde die tegen de wand van de kegelbaan; dan zou bok ‘slag, bons’ kunnen betekenen en samenhangen met beuken.

bok [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: voor de geminatie -kk- en de distributie van sterke en zwakke vormen verwijst E. Polomé, RBPhH 44, 112 [1966] naar A. Martinet, La gemination consonantique d’origine expressive dans les langues germaniques 138-139 en 182 [1937].

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

bhū̆g̑o-s, Koseform bhukko-s ‘Bock’, (fem. auf ‘Ziege’)

Zigeun. buzni ‘Ziege’; av. būza m. ‘Ziegenbock’, npers. buz ‘Ziege, Bock’;
arm. buz ‘Lamm’;
mir. bocc, pocc, nir. boc, poc, cymr. bwch, corn. boch, bret. bouc’h ‘Bock’, dazu mir. boccānach ‘Gespenst’;
germ. *bukka- (nach Pedersen Litteris 7, 23 f. aus dem Kelt. entlehnt?) in aisl. bukkr, bokkr, bokki, ags. bucca, nengl. buck, ahd. mhd. boc, -ekes, nhd. Bock.
Das im Konsonantismus abweichende ai. bukka-ḥ ‘Ziegenbock’ (unbelegt) ist wohl von bukkati ‘bellt’ (s. unter beu-1, bu-) beeinflußte hypochoristische Umbildung eines *bhūja- =av. būza-. Auch npers. dial. boča ‘junge Ziege’, pām. buč, büč scheinen Ergebnis ähnlicher Umbildung zu sein.

WP. II 189 f., Pedersen Litteris 7, 23 f., Martinet Gémination 182.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bok II (een bok schieten). De uitdr. wordt verklaard als een oorspr. kegelterm, die gebruikt werd, als de bal van de plank afrolde en tegen den wand bonsde: dus bok = “slag, bons”; bij beuken. Hd. einen bock schiessen wordt ook bij een mhd. buc m. “val”, bocken “op den grond vallen” gebracht; voor de oudere bet. houdt men dan “duikelen”. Zou de uitdr. niet daar waar zij ’t eerst is ontstaan anders geluid kunnen hebben, zoodat ze bestond uit bok I + een ww. en beteekende “een bokkesprong maken”?

bok I (dier), mnl. boc, buc(ck) m. = onfr. buck, ohd. (nhd.) bock, mnd. buck, on. bukkr, bokkr m, waarnaast de n-stam ags. bucca m. (eng. buck) “bok”. Met kk uit idg. ĝn, evenals ier. bocc “id.”, dat echter ook wel voor een ontl. uit het Germ. wordt gehouden. Fr. bouc uit het Kelt. Verder verwant met arm. buc “lam”, av. bûza- ”bok”, met n-formans zig. buzni, busnín, parsi bozîneh, koerd. bizín “geit”. De verdere combinatie met lat. fugio, gr. pheúgō “ik vlucht” is onaannemelijk, omdat wij dan deze ww. (wegens de ĝ) van lit. baugùs “bang”, búgstu, búgti “bang zijn, schrikken” zouden moeten scheiden. Zie hierover nog buigen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bok I (dier). Over germ. kk < idg. ĝn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bok 1 m. (dier), Mnl. boc, buc, Onfra. buck + Ohd. boc (Mhd. bock, Nhd. bock), Ags. bucca (Eng. buck), On. bukkr (Zw. bock, De. buk) + Zend bûza, Arm. buc, Oier. bocc, Zig. buzni, wellicht van buigen wegens de horens. Germ. en Kelt. consonantisme wijst op een stam bhugn'-. Fr. bouc, It. becco zijn ontleend of aan 't Kelt. of aan 't Germ. Overdracht = werktuig.

bok 2 m. (koetsbok), + Hgd. kutschbock: hetz. w. als bok 1. in de bet. van op een bok gelijkende schraag, verder zitplaats (vergel. folteren). Onzeker is of Eng. box hieraan ontleend is, dan wel of het hetzelfde is als Eng. box = doos (z. bus 2)

bok 3 m. (flater), in een bok schieten, is bok 1 aan een of ander spel ontleend, wellicht aan het bok-stavast, waar degene die mis springt, op zijn beurt bok wordt.

bok 5 v. (vaartuig), wellicht omdat ze bij het lichten bokt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. bok (de, -ken), (ook, behalve ‘mannelijke geit’:) ram, mannelijk schaap. () de rammen (hier verkeerdelijk bokken geheten) (Teenstra 1835: 383; oudste vindpl.). - Etym.: AN b. = o.m. geitebok en mannetje van enige andere gehoornde dieren (hert, gems).

II. bok (de, -ken), (voetbalterm) de daad van het bokken* (I), blokkering. Hij maakte een noodsprong en plaatste een ‘bok’ wat hem enige tijd buitenspel zette [doordat zijn been de kracht van een schot opving] (DWT 2-3-1981). - Etym.: Gedacht kan worden aan de onverzettelijkheid van een geitebok.

VII. bok: op de bok, grove uitdr. m.b.t. geslachtsgemeenschap (gezegd m.b.t. een man). Nu is het echt, kom, zei Marleen met hese stem, ze ging wat beter liggen om de ontvangst makkelijker te maken. Archie klom op de bok en deed eerst niks (Rappa 1984: 26).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bok: 1. “bep. mak soogdier”; 2. “bep. wilde soogdier of antiloop” (albei fam. Bovidae); Afr. ondersk. nie soos Ndl. tussen bok (ml.) en geit (vr.) nie, maar m. behulp v. ram en ooi (en dan is bokmelk en bokooi nie ongerymd nie); andersyds word in studt. bok, “vryer”, en geit, “vryster”, gebr., ook ww. bok, “vry”, en bokkologie of bokkunde, “vryery”.

bokkie I: dim. v. bok (q.v.).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Bok snw: Segsw.: Hoe ouer die bok hoe harder die horing of ou bok, stywe horings, d.w.s. persone op ryper leeftyd laat hul nie maklik van stuk bring nie. – Eckart 56: Je ölder der Bock, je stîwer de Hören. Ook ander lesinge. Corn. en Vervl. 914: “Ou(de) bokken hebben stijve horens, oude menschen zijn dikwijls stijfhoofdig;” Ter Laan 109: “Ṑl bokṇ hebṃ stiewe hoorṇs,” id. Volgens Harreb. I, 74, kom die segswyse in die vorm oude bokken hebben harde horens ook voor by J. P. Sprenger van Eijk: Handl. t.d. kennis v.o. Vaderl. Spreekw. En Spreekw. Zegsw., bijzonder a.h. Landleven ontleend. MDCCCXLI.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bok: 1) ouwe bok: oude vent (die zich jeugdig gedraagt). Bekend is het spreekwoord een oude bok lust nog een groen blaadje.

Dat zou je wel willen, hè, ouwe bok! (Willem van Iependaal, Onder de pannen, 1952)
Och… ’t is die ouwe impotente bok z’n eigen schuld. (A.M. de Jong, Het geslacht Verhagen, 1956)

2) onvriendelijk persoon; lomperd.

Het is een bok, een buffel van een vent. (W. Sewel, A new Dictionary English and Dutch, 1691. Nieuw Woordenboek der Nederduytsche en Engelsche Taale. 1691)

3) (marinetaal) infanterist of de landmacht in het algemeen. Vgl. bokkenpoot*. Vermeld door Harmsen.

4) geile bok: kijk onder geile*.

5) onzindelijk, smerig iemand. Volgens Van Dale gewestelijk.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bok (Keltisch of erfwoord); (een -- schieten) (vert. van Duits einen Bock schießen)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De bokken van de schapen scheiden, de slechten van de goeden scheiden; soms ook van zaken: sorteren. Ook wel de schapen van de bokken scheiden.

In Matteüs 25:32 wordt beschreven hoe de Zoon van God bij zijn komst op aarde over het mensdom zal oordelen: 'Dan zullen alle volken voor hem worden samengebracht en zal hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt' (NBV).
De schapen van de bokken scheiden is al een langer bekende uitdrukking, maar tegenwoordig worden de onaanzienlijke bokken meestal het eerst genoemd, in tegenstelling tot de volgorde in de bijbeltekst. De bok, de mannetjesgeit, werd (in de woorden van het WNT) wel gezien als een 'koppig, lastig, dom, onhebbelijk, en ook vuil, geil beest'. Het schaap daarentegen was een volgzaam en om zijn melk, wol en vlees uitermate nuttig en dus hoog gewaardeerd dier. Daarbij maakt het schaap deel uit van het bekende bijbelse beeld van God of Jezus als herder en de gelovigen als hun schapen.

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 25:32. Hy salse van malcanderen sceyden, ghelijck als een herde die scapen, vanden bocken sceidet.
[Bij een bordeel:] Door de gladiatoor en de baas werden de nieuwe gegadigden in bokken en schapen gescheiden: één partij ging vloekend weer naar buiten, wellicht om te wachten, een rij te vormen, de begunstigden klosten naar boven. (S. Vestdijk, Op afbetaling, 1968 (1952), p. 112)
De bokken (de fuivende studenten die 28 punten echt teveel vinden) moeten van de schapen gescheiden. Dat zal de naam van Leiden ten goede komen. (Mare, 11-3-1999, p. 2)
[Man tegen z$n dochter die het wasgoed sorteert in bonte en fijne was:] Dat zie ik je moeder ook altijd zo doen, de bokken van de schapen scheiden. (Gehoord, jaren '70)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bok. In de Mengel-dichten [circa 1710] van J. de Regt komt de bastaardvloek o gants bokke bloed voor. De vloek o of bij Gods bloed heeft hier zijn blasfemisch karakter geheel verloren. Ook de verbastering o gants bloed ‘bij Gods bloed’ heeft haar angel verloren, doordat de bok de plaats van de watervogel als voorbepaling bij bloed heeft overgenomen. Overigens werden in het oude volksgeloof en de volksgeneeskunde aan bokkenbloed allerlei wonderdadige krachten toegeschreven. Thans verouderd. In Vlaanderen komt volgens Mullebrouck (1984) de verwensing kust de bok zijn kloten! voor. Deze verwensing klinkt als een valse symfonie. Het is wel heel mensonwaardig om uitgenodigd te worden tot het kussen van de kloten van een bok. Zij drukt walging, afkeer, minachtig, haat en onmacht uit. Deze emotionele betekenis kan goed weergegeven worden met ‘ik walg van je’. → bloed, das, gans (1), haas, hond, kat, kievit, kloot, koe, koekoek, konijn, kussen, muis, slak, varken, vink, wolf

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bok Aan het begin van deze eeuw op het Groningse Hogeland gebruikt voor ‘borrel’. Een dialectwoordenboek gaf in 1929 als voorbeeldzin ’n bok mit smoren voor ‘een borrel meedrinken’. Deze borrelnaam lijkt te zijn ontstaan uit de oudere uitdrukking de bok aan ’t touw hebben voor ‘dronken zijn’. Deze zegswijze was niet alleen in Groningen bekend, maar ook in Friesland, Noord-Holland en Zeeland. In Friesland zongen de kinderen, als ze iemand dronken over straat zagen lopen, aan het eind van de 19de eeuw:

Hij het ’n bok an ’t touw!
Hij het ’t biet! [Hij heeft het te pakken!]

Het WNT geeft als verklaring voor dit spreekwoord: ‘een over den weg zwaaiende dronkaard doet denken aan iemand die een koppigen bok onder vele bokkesprongen moet voortleiden’. De borrelnaam bok was halverwege deze eeuw nog in Groningen bekend. Het Amerikaans-Engels kent het enigszins verwante drunk as a goat.

[Herroem 61; Ter Laan 1929:109; Nav. 3:285; Ntg 12:147; Pannekeet 1971:33; Stoett 2:92; WNT III1 257; Wschat 91]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bok ‘mannetje van de geit’ -> Zuid-Afrikaans-Engels bok, buck ‘antilope, geit(enbok)’; Negerhollands bok ‘mannetjesgeit’; Berbice-Nederlands boko ‘mannetje van de geit’; Sranantongo boko, bokoboko ‘mannelijk dier; (fig.) stinken’.

bok ‘voorwerp in de vorm van een bok: gymnastiektoestel; zaagbok’ -> Fries bok ‘vierpotig gymnastiektoestel om op en over te springen’; Amerikaans-Engels buck ‘zaagbok’.

bok ‘zitplaats van de koetsier op een rijtuig’ -> Zuid-Afrikaans-Engels † buck ‘bovenstel van een wagen’ ; Gimán buk ‘zitplank in de voor- of achterkant van een prauw’; Soendanees buk ‘zitplaats van de koetsier op een rijtuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bok mannetje van de geit 0901-1000 [WPs] <?

bok hijsstellage, werktuig 1523 [HWS] <?

bok bok van een rijtuig 1872 [GVD] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

280. Een bok schieten,

d.w.z. een flater begaan, eene grove vergissing begaan; hd. einen Bock schieszen; nd. hei hett en gastrigen Bock emâket; Deensch begaa en Buk. Men zal hier bok moeten opvatten in den zin van iets lomps en leelijks (vgl. fri. in bok fen in hynder, een leelijk paard, een knol) en vandaar een lompigheid, een onhandigheid, een fout. Vgl. de synonieme uitdrukkingen een kalf, een kemel maken of schieten (in Zuid-Nederland); een varken (zie V. Eijk II, 87; Antw. Idiot. 946: 't Is geene kemel die ge daar begaan hèt, 't is een peerd = een grove misslag); ook kent men in Zuid-Nederland een kwakkel schieten, (zie Ndl. Wdb. VIII, 675). In het fr. spreekt men van un loup of une grenouille; in 't eng. kent men to make a bull (onzin); in het Hoogduitsch zegt men ein Fuchs (een beest) en is ook gebruikelijk einen Pudel machen, pudeln (verklaring onzeker), wat ook door Molema, 329 vermeld wordt: 'n poedel hollen, een misstap begaan (van jonge meisjes), zich vergissen, naast 'n poedel gooien, poedelen, bij 't kegelen niet raken.

Onze uitdrukking komt eerst in de 19de eeuw voor. Waarschijnlijk heeft men eerst gezegd een bok maken en later een bok schieten. Zie Ndl. Wdb. III, 265-266. Zie no. 181.

281. De bokkepruik ophebben.

Deze uitdrukking dateert uit den tijd, dat men algemeen pruiken droeg, dus uit de 18de eeuw. Het op een bepaalde wijze dragen van die pruik of ook van den hoed werd als kenteeken beschouwd der stemming van den drager. Zat de pruik netjes, had men veel zorg aan het toilet besteed, dan maakte men daaruit op, dat de drager van dat hoofddeksel goed gehumeurd was. Stond daarentegen de pruik scheef, zat ze slordig, dan merkte men dat aan als een kenteeken van onverschilligheid, norschheid, ontevredenheid, de stemming van een bok, een norsch mensch, en had hij de bokkepruik op. Vgl. hiermede de uitdr. de pruik zit hem scheefWolff en Deken, De fam. Wijsneus en hun boek: Ja wat zou ons beletten onze pruiken op zestig graden te schuiven?, hij is uit zijn humeur; de pruik op krijgen, boos worden (Jord. 89) en goed (of slecht) gemutst zijn. Zie Noord en Zuid XIX, 27; Ndl. Wdb. III, 269; Slop, 25 en vgl. het fri. de bokkeprûk op ha; nd. de Prück steit ämm verkêrt; ha hât de Prük wieder verkieht stonn (Eckart, 400). In de Zaanstreek: een grim ophebben (Boekenoogen, 1313); in de 16de eeuw: de grimmuts opsettenVeelderh. Geneuchl. Dichten (ed. Letterk.), bl. 27..

1976. De schapen van de bokken scheiden

wordt gebruikt in den zin van de meisjes van de jongens, de vrouwen van de mannen scheiden, ook wel in algemeenen zin de goeden van de kwaden scheiden. De zegswijze is ontleend aan Matth. XXV, 32-42. Vgl. o.a. Harreb. I, XLV: Men moet de schapen van de bokken scheiden; Amst. 69: 't Is precies als op den dag des oordeels, de schapen zitten rechts en de bokken links; Nkr. II, 1 Maart p. 4: Verder kon hij (minister Talma) uitstekend de bokken van de schapen scheiden, trad hij bij menige verkiezing als belhamel op; De Arbeid, 27 Mei 1914, p. 1 k. 3: De R.K. arbeiders mogen niet in aanraking komen met de socialistische. De schapen moeten van de bokken gescheiden blijven; vgl. ook Nkr. V, 29 April p. 5: Door deze list rekent men de schapen van de bokken te kunnen onderscheiden; Handelsblad, 1 Dec. 1920 (A), p. 1 k. 3; Afrik. skape van die bokke skei.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal