Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bof - (doffe slag; gelukje; ziekte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bof zn. ‘doffe slag; gelukje; ziekte’
Mnl. boffe ‘wang’ [ca. 1350; MNHWS], boffe, buffe ‘klap, slag, oorveeg’ [14e eeuw; MNW], buffen (mv.) ‘wangen’ [1477; Teuth.], boffe ‘opgeblazen wang of mond’ [ca. 1481-83; Voc.cop.]; nnl. ‘geluk’ in Dat was ‘n bof voor zoo’n jongen advocaat! [1892; WNT], bof ‘kinderziekte’ [1902; WNT].
Oorspr. een klanknabootsend woord, het geluid weergevend van een val of klap op een hol voorwerp.
Uit de betekenis ‘klap, slag’ ontwikkelde zich die van ‘de daaropvolgende zwelling’. De naam van de ziekte gaat hierop terug, vanwege de zwellingen bij de wangen. De uitdrukking op de (wilde) bof ‘op goed geluk’ zal hebben bijgedragen tot de betekenisontwikkeling tot ‘geluk, meevaller’.
boffen ww. ‘geluk hebben’. Nnl. boffen [1858-70; WNT]. Eigenlijk betekent het ‘zijn slag slaan’, teruggaand op bof in de betekenis ‘slag’.

EWN: bof zn. 'doffe slag; gelukje; ziekte' (ca. 1350)
ANTEDATERING: ic soude u geven ene buffe 'ik zou u een klap geven' [1315-30; iMNW]
Later: de bof 'gezwel in de onderkaak' [1773; Verh.HMW, 50] (1902*)
{* De datering van bof 'kinderziekte' in het EWN moet geschrapt worden. In het WNT bevat de vermelding van dit woord in deze betekenis geen datering. Het betreffende artikel in het WNT stamt uit 1893.}
EWN: ♦ boffen ww. 'geluk hebben' (1858-70)
ANTEDATERING: buffen 'zich opblazen, bluffen' [1401-50; iMNW]
Later: boffen 'bluffen' [1460-80; iMNW]; boffen 'werpen' [1801; Weiland]; men "boft" 'men heeft geluk' [1860; Taalgids, 46] (EWN: 1858-70)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bof* [slag, kinderziekte, buitenkans] {bof(fe) [dik gezicht, verbreking van koop] 1327; als ‘buitenkans’ 1891} klanknabootsend gevormd (vgl. boffen).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bof

Ik heb eens in een krant gelezen dat de Fransen in de oorlog een zwarte handelaar ‘un bof’ noemden. Dat was een letterwoord, samengesteld uit de beginletters van beurre, oeufs en fromage, boter, eieren en kaas. Wie over voorraden daarvan in de hongerjaren beschikte, was wat tussen 1914 en 1918 een OW’er heette, een oorlogswinstmaker. Natuurlijk heeft het Franse woord bof met het Nederlandse bof niets te maken. Dat is eigenlijk een klanknabootsend woord, net als plof, pats, pief paf poef, kukeleku en nog een heleboel meer. Bof geeft dus het geluid aan van een val of een klap. Daardoor betekent het ook: oorveeg, klap in het wilde weg. En dan is de overgang mogelijk naar: onverwachte gebeurtenis, ook in gunstige zin, buitenkans, meevallertje, tref.

Merkwaardig is wel dat dit woord bof hetzelfde is als de naam van de ziekte. Reeds in het Middelnederlands betekent bof ook: opgeblazen gezicht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bof 1 znw. m. mnl. bof, buf, m. boffe, buffe v. ‘slag, smak, oorveeg, verbreking van een koop’. Een klanknabootsende vorming; evenals pof en plof. — Zie: boffen.

bof 2 znw. m. ‘kinderziekte (parotitis) waarbij men een opgezet gezicht krijgt’, te vergelijken met mnl. boffe ‘dik gezicht’ (buffen maken ‘de wangen opblazen’. — Zie verder: boffen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bof, boffen znw., resp. ww. In ’t Mnl. komen bof, buf m., boffe, buffe v. “slag, smak, oorveeg, opgeblazen gezicht, verbreking van een koop”, boffen, buffen “zich opblazen, een koop verbreken” voor, benevens bluffen “slaan, kloppen”, waaruit nnl. bluffen. Dgl. woorden bestaan ook op duitsch, eng. en rom. gebied, zoowel met anlautende b als p. Zij zijn grootendeels onomatopoëtisch. De ndl. woorden zijn deels van de interjectie bof gevormd (vgl. ook bij ploffen, pof), gedeeltelijk onder invloed van fr. bouffer “de wangen opblazen, opzwellen”, ofr. buffier “een oorveeg geven” opgekomen. In de bet. “een koop verbreken” zal boffen wel ’t zelfde woord zijn. Voor de bett. vgl. nog pochen en zie ook bij beuken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bof tuss. resp. bijv. resp. m., onomat. van den indruk door de bewegingen of den vorm van een hol, bol voorwerp teweeggebracht: vergel. pof, paf, pif. - Bof = meevaller, is uit boffen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bóf (zn.) 1. hapje 2. meevaller; Nuinederlands bof <1891> < Frans bouffe.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bof* kinderziekte 1327 [MNW]

bof* buitenkans 1891 [WNT bof III]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

279. Op de(n) bof,

d.w.z. zonder bepaald doel of zonder kennis en overleg, op goed geluk af, zooals het valt, in 't honderd. Het znw. bof beteekent in deze uitdr. oorspr. slag (vgl. op een bof, op eens, eensklaps, vroeger eensslags, fri. op een stuit; gron. op 'n barst), doch wordt hier meestal opgevat in de beteekenis onverwachte uitkomst, gunstig toeval, geluk, buitenkans, meevaller, tref (vgl. het wkw. boffen, een gelukje hebben; een boffer, iem. die een gelukje heeft, en zie een dofje ). Vgl. ook het Oostfri. dat geit up 'n blinden buf (aufs Gerathewohl; zie Ten Doornkaat Koolman I, 244 b); evenzoo in Twente. In Zuid-Nederland zegt men iets doen op den bots (= slag), op goed valle 't uit, en gelijk men ook wel zegt: op den lukthem (Schuermans, 72); en op den wilden bof (Schuerm. 148 b en Antw. Idiot. 262). Zie Ndl. Wdb. III, 246.

1853. Op de(n) pof, (- bof).

In de uitdr. iets op den pof (- bof) koopen, iets op krediet koopen, niet dadelijk betalen (Harreb. II, 191); in Vlaanderen ook op den pof drinken, op eens anders kosten drinken, en op den pof gaan, ergens gaarne blijven eten (vgl. no. 1166 en Schuermans, 495 b); in soldatentaal: zonder verlof weggaan (ook in Zuid-Nederland; Waasch Idiot. 528 b); Het Volk, 23 Maart 1913, p. 6 k. 1: Een groot aantal soldaten hier in garnizoen hadden zich Zondag ‘op de pof’ (d.w.z. zonder verlofpas) naar hun woonplaatsen begeven. Een synonieme uitdr. was op de klets (sedert 17de eeuw), waarnaast voorkwam kletsen, schulden maken (Ogier, Seven Hoofts. 32 en Halma, 268), dat nog in Zuid-Nederland bekend is (De Bo, 531 a; Teirl. II, 142); op de klis en klissen (Boekenoogen, 452; 453); nd. up 'n kliz (Eckart, 271); op den poef gaan, halen, poefen (Schuermans, Bijv. 248 a; De Bo, 876); op den plak (plek) halen, plakken (Schuermans, 485 b; Bijv. 244 b; Antw. Idiot. 972; De Bo, 865 b); en op de hak (Tuerlinckx, 237); klak, pof, schuld (Teirl. II, 136). Al deze woorden pof, bof, klets, klis (= klets), poef, plak, hak, klak beteekenen oorspr. een slag, een houw, zoodat we wellicht als eerste bet. mogen aannemen: op goed geluk af (vgl. ergens een slag naar slaan), op het (ge)raakVgl. Kiliaen: Raeck, val, ghe-val, casus, eventus fortuitus. of op Gods geraak, zooals hier en daar in Zuid-Nederland gezegd wordt, of op goed valle 't uit: men probeert maar eens het te krijgenZie voor deze verklaring Ten Doornk. Koolm II, 768 a.. Ook in het Duitsch is bekend auf Puff en jem. puffen, iemand schuldig blijvenKluge, Wtb. der Studentensprache, 116 b: Zeitschrift für D. Wortf. V, 254, naast auf Pump en pumpen (borgen); in het fr. à pouf (zeldzaam); in het oostfri.: up de puf (oder pump) kopen, halen naast puffen, pumpen; bij ons dial. poffen, borgen, op crediet geven of nemen (o.a. Boekenoogen, 773; Gunnink, 188); fri. op 'e pof; poffe. Zie Ndl. Wdb. III, 1773; no. 279; 1166; 1127.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut