Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boetiek - (winkel)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2018

Winkelen en shoppen

Sinds de veertiende eeuw heten plaatsen waar artikelen worden verkocht ‘winkels’. Het woord winkel is afgeleid van wenken; oorspronkelijk duidde winkel een ‘hoek’ aan. De betekenis verschoof naar ‘hoekje – op straat, in een gebouw – waar koopwaar wordt verkocht’, en vervolgens naar de huidige betekenis. In de zestiende eeuw worden al gespecialiseerde winkels genoemd als ‘boeckverkoopers winckel’, ‘goutsmits winckel’, ‘aptekers winckel’ en ‘spijswinckel’. In de daaropvolgende eeuwen nam de specialisatie verder toe; toen kwamen er ‘grutterswinkels’, ‘bakkerswinkels’ en ‘modewinkels’.

Winkeldochter
VOC-koopman Pieter van den Broecke schreef in 1614 in zijn dagboek over de “coopliden” en “winckeliers” in “Catsinj” (het huidige Kochi in India), die “groote diven in haer neringhe sijn” (‘onbetrouwbaar zijn’). Uit de vele overgeleverde vrouwelijke varianten blijkt dat het beroep van winkelier vaak door vrouwen werd uitgeoefend: winkelierege, winkelierigge, winkeliersche, winkelierster.
Ook winkeldochter verwees vroeger naar een vrouw die in een winkel bedient; dochter is hier gebruikt in de verouderde betekenis ‘(jonge) ongehuwde vrouw’. De tegenwoordig gangbaarder figuurlijke betekenis is rond 1850 ontstaan: ‘artikel dat moeilijk te verkopen is’. De overgebleven waren werden vergeleken met een overschietende verkoopster – in een tijd dat ongehuwd zijn als ongewenst gold.

Winkel van Sinkel
Op de specialisatie van winkels volgde de fase van schaalvergroting. In 1822 opende Michael Anton Sinkel in Amsterdam een zaak met een nieuwe formule: de waren werden uitgestald in ‘winkelkasten’, ‘toonbanken’ en ‘etalages’, en kopers konden niet langer afdingen, maar moesten een vaste prijs betalen. In de jaren daarop opende Sinkel filialen in andere plaatsen. De omvang van het assortiment, die voor die tijd zeer opmerkelijk was, werd bezongen in het liedje: “In de winkel van Sinkel is alles te koop / Daar kan men krijgen mandjes met vijgen / doosjes pommade, flesjes orangeade / hoeden en petten en damescorsetten / drop om te snoepen en pillen om te poepen.” Hoewel de winkels in 1912 werden gesloten, staat winkel van Sinkel nog steeds overdrachtelijk voor ‘winkel waar alles te koop is’.

Duitse warenhuizen
In de negentiende eeuw werden meer winkelketens opgericht. Bekende voorbeelden zijn C&A, genoemd naar de voorletters van de Duitse broers Clemens en August Brenninkmeijer, die in 1841 in Sneek een winkel in confectiekleding openden. De naam van de winkelketen V&D gaat daarentegen terug op de achternamen van de zwagers Willem Vroom en Anton Dreesmann, die in 1887 een gezamenlijke zaak openden.
Voor dergelijke winkels bestond vanaf 1830 de naam warenmagazijn. Aan het begin van de twintigste eeuw veranderde dat in warenhuis. In 1904 staan de kranten bol van de vraag of Duitse kooplieden op de plaats van de oude Beurs in Amsterdam een ‘warenhuis’ (het woord staat nog tussen aanhalingstekens) mogen neerzetten. De woorden warenmagazijn en warenhuis voor ‘grote winkel met gevarieerd assortiment’ zijn allebei ontleend aan het Duits. Dit laat zien hoe groot de Duitse invloed in deze periode op de Nederlandse middenstand was.

Zelfbediening
Na de Tweede Wereldoorlog vond er opnieuw een revolutie plaats in het winkelwezen, dit keer onder Amerikaanse invloed: de ‘supermarkt’ met ‘zelfbediening’ deed zijn intrede. In 1948 wordt in België de eerste supermarkt geopend, en niet lang daarna volgt Nederland. De eerste jaren spreekt men ook over ‘zelfbedieningswinkel’, ‘help yourself-winkel’ en ‘kijkgrijp-winkel’, allemaal vertalingen van het Engelse self-service shop.
Rond 1966 werd het mode een exclusieve modezaak te tooien met de naam boutique of boetiek; het woord is ontleend aan het Frans, waar het een neutrale benaming is. Uiteindelijk gaat dit woord terug op het Grieks-Latijnse apotheca (‘bewaarplaats, magazijn’), waarvan ook ons woord apotheek is afgeleid.
Het Engelse woord voor winkel, shop, wordt rond 1970 in het Nederlands gebruikt in de samenstelling sexshop en coffeeshop. Het laatste woord kreeg in het Nederlands een betekenis die in het Engels onbekend is: ‘verkooppunt van softdrugs’. Het werkwoord shoppen wordt vanaf ongeveer 1990 gebruikt als modewoord voor ‘winkelen’, en kreeg daarnaast de typisch Nederlandse betekenis ‘bij verscheidene zaken, banken, zorgaanbieders e.d. langsgaan om het aanbod te vergelijken’.
De laatste mode op winkelgebied is die van het ‘webwinkelen’ in een ‘internetwinkel’ of ‘webshop’, waar bedrijven online hun producten aanbieden via ‘webmarketing’. De terminologie toont dat ook deze innovatie afkomstig is uit de Engelstalige wereld. Wel heet de internetpagina waarop alle geselecteerde artikelen worden weergegeven, nog steeds ‘winkelwagentje’.
[Hans Beelen & Nicoline van der Sijs (2014), ‘Winkelen en shoppen’, in: Onze Taal 11, 322]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boetiek zn. ‘winkel’
Nnl. boutique ‘winkel, kraam’ [1745; Meijer], boutique, boetiek [1966; Reinsma 1975], boetiek ‘winkel voor aparte artikelen’ [1976; Dale].
Ontleend aan Frans boutique ‘winkel’ < Oudprovençaals botica [1241] < Latijn apothēca ‘bewaarplaats, magazijn’, zie → apotheek. Van hetzelfde woord is → bodega afgeleid, en heel misschien → body.
In de specifieke betekenis ‘trendy winkel’ recent opnieuw ontleend. De BN samenstelling santenboetiek ‘rommeltje’ [1896; WNT] is naast → santenkraam al sedert de Hervorming een aanduiding voor een ongedefinieerde verzameling (= kraam) van heiligenbeelden (= santen).
Lit.: Debrabandere 2000, 19; Nierop 1968, 9-13

EWN: boetiek zn. 'winkel' (1745)
ANTEDATERING: vnnl. Bouticq 'kraam' [ca. 1620; Leugenaer 1, 2]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boetiek [winkel] {na 1950} < frans boutique < oudprovençaals botica < latijn apothecabodega.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

betik, petik (zn.) 1. huisje 2. winkeltje; < Frans boutique.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

boetiek s.nw.
Gespesialiseerde winkel, veral vir damesklere.
Verafrikaanste vorm van boutique.
Ndl. boetiek (ná 1950).

boutique s.nw.
Boetiek.
Uit Eng. boutique (1953).
Eng. boutique uit Fr. boutique.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boetiek (Frans boutique)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boetiek ‘winkel’ -> Indonesisch butik ‘winkel’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

bermtoerisme [toerisme waarbij de reizigers op of bij de wegbermen blijven en niet het veld of bos in gaan] (1959). Het Winkler Prins Boek van het jaar vermeldt behalve bermtoerisme nog een aantal nieuwe woorden die zijn ontstaan of ingeburgerd rond 1959: arbeidsreserve, bermtoerisme, besliskunde, boutique, convectiekachel, gastanker, groene golf, parka, parkeerschijf, plasma, programmeerkunde, schietcabine, skelter, toneeladviseur, trainee, ufologen, verzorgingsflat, weekendhuwelijk, wooneenheid, woonlaag en zweefauto.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boetiek winkel 1847 [Aanv WNT] <Frans

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

Boutique (1960) winkeltje bij modeontwerphuis waarin, naast accessoires, een semi-couture-collectie wordt verkocht, dus (dure) confectie-artikelen die eenvoudiger zijn dan de haute-couture-modellen van dezelfde modeontwerper.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut