Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boer - (landbouwer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boer 1 zn. ‘landbouwer’
In de huidige betekenis pas vnnl. boer ‘landbouwer’ [1516; MNHWS], boer, ein gebuer ‘landman’ [1518; Murmellius], ook boerman ‘boer’ [1544; MNHWS]. Voor oudere vindplaatsen zie → buur, dat de klankwettige standaardtalige vorm is van boer.
Boer is tot de standaardtaal doorgedrongen vanuit een oostelijk dialect waarin zich de palatalisatie van de West-Germaanse ū niet heeft voorgedaan.
Degenen die op het platteland elkaars buren ‘(mede)bewoners’ waren, waren vanuit het gezichtspunt van de stedelingen ‘landbouwers’, vandaar de betekenisontwikkeling. Daarnaast worden ook bepaalde kooplui die van oudsher uit de dorpen kwamen, -boer genoemd, zoals de turfboer [turffeboere 1437; MNW torfboer] (later naar analogie kolenboer), de groenteboer, de visboer. Het woord werd dan ook veelal pejoratief gebruikt, tegenover neutralere termen als landman, veldman e.d.
boerderij zn. ‘boerenwoning’. Vnnl. boerery ‘boerenbedrijf’ [1644; WNT]; nnl. Boerdery ‘boerenwoning’ [1784-85; WNT], pas rond 1800 uit de volkstaal in de schrijftaal overgenomen. Eerder dan een afleiding van het zn. boer is het een afleiding van het werkwoord boeren ‘een boerenbedrijf hebben’ (zoals bakkerij van → bakken 1) met het achtervoegsel → -erij. Tussen de twee -r-'s werd een -d- ingevoegd, zoals ook in → eerder. Het Fries heeft (boere)pleats voor ‘boerenwoning’ en buorkerij voor ‘het boeren; het boerenbedrijf’. ♦ boeren 1 ww. ‘het boerenbedrijf uitoefenen’. Vnnl. boeren = bouwen ‘op het land leven, het boerenbedrijf uitoefenen’ [1599; Kil.].

EWN: boer 1 zn. 'landbouwer' (1516)
ANTEDATERING: mnl. boor, boer 'boer, landman', eerst in de toenamen van Heinric de Bor (= de Boor) [1375; Debrabandere 2003] en Jan Boer [1434; Debrabandere 2003] (1516)
Later: een grof karel ende boer 'een onbehouwen vent en boerenpummel' [1508; MNW-P]
EWN: ♦ boerderij zn. 'boerenwoning'; de vorm boerderij (1784-85)
ANTEDATERING: Boerdery 'boerenhuis en -bedrijf' [1726; E.Mercurius 2, 106]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boer1* [landbouwer] {1516, vgl. geboer, gebuur [medebewoner, buurman, dorpeling, boer] 1370} klankwettig had het woord buur moeten luiden; mogelijk is het één van de achtergebleven vormen uit de huiselijke taal, een relict met oudgermaanse oe; daarbij kan een rol hebben gespeeld, dat er behoefte was aan differentiëring met buur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boer 1 znw. m. ‘landbouwer’, eerst sedert Kiliaen. In het mnl. gheboer ‘plattelandsbewoner, landbouwer’ (naast het meer gewone dorpman, huisman), vgl. mnd. (ge)būr, ohd. gibūr, gibūro, ofri. būr, oe. gebūr. — > ne. boor (sedert 1551, Bense 17). — Zie: buur en bouwen.

Het woord had een germ. ū, die in het ndl. tot uu had moeten worden. Daarom neemt men ook aan, dat het woord boer (naast het westnl. buur) uit een oostnl. dialect zou zijn overgenomen. Dat is voor een dergelijk woord wel bevreemdend, tenzij men zou willen aannemen, dat met dit woord een ander type van landbouwer aangeduid zou zijn dan dorpman of huisman (v. Haeringen, Suppl. 23) en dan begrijpt men nog niet, dat op het gebied van de landbouw en de veeteelt het oosten aan het westen wat te bieden had. — Kloeke, Expansie 120 vlgg. beschouwt boer als een relictwoord, dat dus van ouds in de taal bestond, maar de overgang ū > uu niet had meegemaakt. Dat is mogelijk; misschien heeft daarbij meegewerkt, dat er behoefte bestond aan differentiëring van betekenis, zodat naast buur ook boer behouden bleef. — Het woord gheboer naast ghebuur betekent eigenlijk ‘samenwonend’, wat kan wijzen op de oude clanvorm der maatschappij: de familie met de knechts vormde een woongemeenschap. Het wegvallen van het voorvoegsel mag men dan wellicht toeschrijven aan invloed van noordelijke (friese) dialecten. — Heeroma, NT 37, 1943, 48-59 keert terug tot de etymologie van J. te Winkel: boer is de ‘bouwer’, een nomen agentis van germ. *būwan. Hij verwerpt ook de voorstelling, dat de oe als een relikt zou zijn te beschouwen, daar het in Vlaanderen en Brabant inheems is. — In Holland ontstond uit het begrip van ‘boer, die zijn produkten in de stad afzet’ (groente- en melkboer) reeds vroeg in de steden die van ‘neringdoende’ (zoals schillenboer, visboer e.a.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boer I (landbouwer), sedert Kil. Mnl. komt = “plattelandsbewoner, boer” wel gheboer m. voor, een oorspr. oostmnl. vorm, identisch met mnl. ghebuur m. “buurman, medeburger, ingezetene”, ook “boer”. Over de afkomst zie buur. Ook ohd. gibûr, gibûro (nhd. bauer), mnd. (ge)bûr, ofri. bûr, ags. gebûr m. komen = “rusticus” voor. De nndl. vorm zonder ge- zal zich wel van uit noordelijke, fri. getinte diall. verbreid hebben. In het Mnl. is dorper, dorpman m. het gewone woord voor “boer”, verder ook mnl. huusman m., oudnnl. huisman. Boer is ook uit bouwer (bij bouwen) afgeleid, vgl. dial. schoer uit schouder; onaannemelijk, o.a. wegens mnl. gheboer = ghebuur “boer” en wegens mnd. ofri. bûr “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boer I (landbouwer). Kloeke Exp. 120 vlg. meent, dat dit woord vanouds ook in het Westen inheems is geweest en wil de oe als ‘relict’ opvatten uit de tijd dat oude û aldaar nog als oe werd gesproken. Het is echter ook zeer wel mogelijk, dat een oorspr. oostelijk woord ‘ontleend’ is, om tegenover dorpman en huusman een bepaalde, voorlopig niet nader te omschrijven, nuance van betekenis uit te drukken. Algemene aanduidingen in deze richting reeds bij W. de Vries Leuv. Bijdr. 22, 70. Zie over het waarderingsverschil tussen huisman en boer bij Coster en Breero: Verdenius Tschr. 49, 308.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boer 1 m. (landman), met dial. oe voor û, Mnl. geboer, gebuer + Ohd. gibûro (Mhd. gibûr, Nhd. bauer) = woongenoot, buurtgenoot, dorpsgenoot, saamgest. met ge en buur (nog in het ovenbuur = bakhuis), Mhd. bûr (Nhd. bauer), Ags. búr = woning, van denz. wortel als bouwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boer (de, -en), 1. blanke Surinamer, afstammend van Nederlandse immigranten die zich in 1845-1850 als boeren vestigden. De immigratie was dus totaal mislukt. Niet dat de Boeren niet van aanpakken hebben geweten, maar wel door de slechte organisatie, waarvan geen goed woord te zeggen valt (Hangalampoe 1 (6): 11; 1975). - 2. blanke boer, i.h.b. landbouwende boer* (1). - 3. (bij uitbr. van 1 en 2) blanke Surinamer. - Zie ook: boeroe*, landbouwer*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boer: “landbouer, veeteler, plattelander”; Ndl. boer (in bet. “landbouer” eers sedert Kil, Mnl. gheboer/ghebuur), Eng. boor (sedert mid. 16e eeu, wsk. uit ouer Pd. būr), Hd. bauer (Mhd. gebūre); nog meningsversk. oor verb. boer, buur en ww. bou, oor oostelike of ook westelike dial., relik of nie, invl. v. ’n noordelike (Fri.) dial. of nie – eint. buite ons gebied – in Afr. (m. hoofl.) Boer = Afrikaner I en in verbg.: Boer se kind wsk. invl. v. Ndl. Bybelt. mens(ch)enkind, opgevat as mens s’n/se kind (vgl. egter Kern WFA 479).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

boer: 1) (vaak voorafgegaan door domme of lompe) ongemanierd, achterlijk persoon. Eigenlijk: iemand afkomstig van het platteland; provinciaal. Van zo iemand wordt van oudsher verondersteld dat hij of zij achterlijk is. Bij Halma lezen we reeds: ‘‘t Is een regte boer. C’est un rustaud achevé.’ Ook in samenstellingen zoals stinkboer. Achterhoekers worden in Amsterdam vaak uitgemaakt voor boer. Vgl. Franse scheldwoorden: paysan; cul-terreux; plouc.

Lompe boere! (Marcellus Emants, Juffrouw Lina, 1888)
Vuile stinkboer! We creperen nog liever dan dat we naar die zwijnestal teruggaan. (Jan Cremer, Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen, 1993)

2) (soldatentaal, verouderd) nieuwe rekruut. O.a. bij De Beer & Laurillard.

3) (meestal meervoud) (sport) vaak: boeren van Zuid: minachtende benaming voor supporters van Feyenoord. Een hatelijk lied heeft de strofe ‘O, wat zijn die boeren stil!’ De term komt van Ajax-supporters, maar wordt eveneens gebruikt door fans van de grotestadsclubs voor clubs uit de provincie. Als PSV van Ajax wint, zingen ze in Eindhoven: ‘De boeren met de poen, die worden kampioen.’ Hieruit blijkt dat de benaming is overgegaan als geuzennaam. De angel wordt hiermee uit het scheldwoord gehaald. Zie ook kankerboer* en kutkankerboer*.

In hetzelfde absurde maar ingesleten vocabulaire past de betiteling ‘boeren’ voor bijvoorbeeld de supporters van Feyenoord, die het Ajax-legioen in de Rotterdamse Kuip gebruikt. (NRC Handelsblad, 05/09/1986)
De scheldwoordenschat in Nederlandse voetbalstadions is ontstellend simplistisch van aard. Iedereen die niet uit de Randstad komt, is een ‘boer’, supporters van clubs in de buurt van de oostgrens heten ‘moffen’ of ‘NSB’ers’, Amsterdammers zijn ‘joden’ en MVV’ers ‘vlaaien’. Omgekeerd hebben supporters van De Graafschap en PSV het woord ‘boer’ als geuzennaam geannexeeerd, in ‘wij zijn superboeren’, zoals ook Ajacieden zingen dat ze ‘superjoden’ zijn. (Elsevier, 09/11/2002)

4) (politiekringen) (steeds meervoud) agenten uit de provincie.

Een scène op de fabriek, het hoofdbureau van politie te Amsterdam, 1988. Een bespreking van het team, voorloper van het latere IRT, dat jacht maakt op topcrimineel Klaas Bruinsma. Aanwezig: officier van Justitie, tactische recherche, douane, FIOD en rechercheurs die ter assistentie uit de provincie zijn geplukt. In Amsterdam worden ze ‘de boeren’ genoemd. (HP/De Tijd, 13/10/1995)

5) (jeugdtaal) leerling of student afkomstig van het platteland; provinciaal. Onder studenten ook voor een student aan de (voormalige landbouw-)universiteit Wageningen.

Aparte subgroepen van de groep gewone kinderen zijn de sappies en de ‘boertjes’. De laatsten lijken veel op sappies maar komen van boerderijen uit dorpen rond Utrecht. (de Volkskrant, 20/12/1986)
‘Boertjes’ lijken veel op ‘sappies’ maar komen van boerderijen uit dorpen rond Utrecht. Ze dragen soms redelijke, modieuze kleren, maar ‘het is net niet dát.’ (Mieke De Waal, Meisjes, een wereld apart, 1989)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

boer. In de Middeleeuwen kenden wij de krachtformule gans vijftien boeren. Het is een uitroep die uitsluitend emotionele waarde heeft en niets te maken heeft met bij Gods vijftien boeren (wat de betekenis van het laatste substantief ook moge zijn). De verbastering zou kunnen teruggaan op ‘bij Gods vijf wonden’. Wij zien in dit soort bastaardformules wel vaker dat het oorspronkelijke telwoord door een ander vervangen wordt. Als dit eenmaal gebeurd is, kan ook in de plaats van het op dat oorspronkelijke telwoord volgende zelfstandig naamwoord een willekeurig ander volgen. → vijftien.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boer is eig. geboer en dit voor gebuur = medebuur, van het Oudgerm. bur (spr. boer) = woning. (De verandering van buur in boer, eig. dezelfde woorden, is nog niet goed opgehelderd.) De „buren” zijn de bewoners van een marke, een „buurt” (o.a. bestaat nog de Ederbuurt met een buur(t)meester, elders boerrichter). Voor de stedelingen waren deze buren of boeren (dus letterlijk de buurt- of markebewoners), plattelandsbewoners en min of meer onbeschaafd.
Buur zelf is een afl. met r van den wortel bu (= boe), d. i. wonen, ook landbouw uitoefenen, zie Aard; de Idg. wt. bhu bet.: ontstaan, voortbrengen, zijn; vandaar nog ons: ik ben, du bist. Zie Bouwen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boer ‘naam van een speelkaart’ -> Duits dialect Pur ‘naam van een speelkaart’; Singalees būru ‘naam van een speelkaart; dwaas iemand; ezel’; Tamil dialect puṛo ‘naam van een speelkaart’; Sranantongo buru ‘naam van een speelkaart’.

boeren- ‘van de Boeren of Afrikaners’ -> Zuid-Afrikaans-Engels boere (bn.) ‘van de Boeren of Afrikaners’ .

boer ‘landbouwer; Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ -> Engels Boer ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ ; Engels boor ‘(verouderd) landman; boerenkinkel, lomperd’; Duits Buren ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Oost-Jiddisch boer-im ‘boerenpummel; onbeschaafd’; Deens boer ‘(afstammeling van een) Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Noors boer ‘Zuid-Afrikaan die afstamt van de Nederlandse kolonisten uit de 17e en 18e eeuw’; Zweeds boer ‘Zuid-Afrikaanse inwoner afstammend van Nederlandse kolonisten’; Fins buuri ‘Zuid-Afrikaanse inwoner afstammend van Nederlandse kolonisten’ ; Frans dialect boër ‘soort katvis, Australische soort geïntroduceerd in Sèvre rond 1900, tijdens de Boerenoorlog’; Italiaans boéro ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Spaans boér ‘Zuid-Afrikaan die afstamt van de Nederlandse kolonisten uit de 17e en 18e eeuw’; Portugees bôer ‘Zuid-Afrikaanse afstammeling van Hollandse kolonisten’ ; Pools † bur ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ ; Kroatisch bur ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Macedonisch Bur ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Servisch bur ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Russisch Bur ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ ; Bulgaars buri ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Hongaars búr ‘Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ ; Maltees Boer ‘(afstammeling van) een Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’; Esperanto buro ‘(afstammeling van) Nederlandse kolonist in Zuid-Afrika’ ; Zuid-Afrikaans-Engels Boer ‘Nederlands- of Afrikaanssprekende boer’ ; Madoerees dialect bor ‘landbouwer’; Amerikaans-Engels † boor ‘Nederlandse kolonist die landbouw bedrijft’; Sranantongo buru ‘(Hollandse) boer, afstammeling van Hollandse kolonisten’; Surinaams-Javaans bulman(g), buru ‘blanke Surinamer van Nederlandse afkomst; blanke’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boer* landbouwer 1516 [HWS]

boer* naam van een speelkaart 1828 [WNT uitspelen]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

278. Zoo vraagt men den boer (of boeren) de kunst af,

d.w.z. ‘zoo komt men van onnoozele lieden het geheim te weten; m.a.w. ik ben zoo onnoozel niet om mij zóó te laten uithooren. Zegswijze om iemand af te schepen, die al te nieuwsgierig vraagt, maar wien men het fijne van de zaak niet wil mededeelen’. Voorkomend in de 17de eeuw bij J. Cats in het Sp. Heid. 1675; ook in Lichte Wigger 16 v. Zie het Ndl. Wdb. I. 1778; III, 157; De Bo, 588; Waasch Idiot. 129 a; 378 a; Taalgids V, 189.

277. Op den boer gaan (loopen, reizen),

of ook den boer opgaan of zijn, d.i. het platte land afreizen om iets te verkoopen of te bedelen; later ook spottend gezegd van iemand, die voor politieke doeleinden daar lezingen houdt. Ook zegt men hiervoor den boer (de huizen der boeren) afloopen. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Van Moerk. 147. In de middeleeuwen zeide men op de gaerde loopen (d.i. op iemands hof of bezitting loopen; hd. auf der Garde oder der Wurst reiten); gaerden, termine wanderen - loopen; op termine gaen, d.i. een bepaalde streek afloopen om te bedelen, inzonderheid van bedelmonniken gezegd; Ndl. Wdb. IV, 104; Antw. Idiot. 264 en Tijdschr. VI, 299.

1317. Lachen als een boer, die kiespijn heeft,

d.w.z. gedwongen lachen, hetzelfde als hy lacht als of hy tandt-pijn hadde (Sart. III, 5, 79); in Byenc. bl. 108: Ende si lachen als of sy den tantsweer haddenAangehaald door Oudemans VII, 12.. Vgl. Tuinman I, 306: hy lacht als een boer, die de tandpyn heeft of als een paard dat bijten wil (zuur kijken); Harreb. I, 71; Het Volk, 18 Maart 1914, p. 5 k. 1: Maar hun lachen geleek toch wel veel op dat van boeren die kiespijn hebben; 22 April 1914, p. 1 k. 4: Wel tracht hij te lachen, maar hij doet het letterlijk als een boer, die kiespijn heeft; Nkr. VI, 28 Sept. p. 4: Zij lachen als van ouds de boer met pijn van slechte kiezen; 21 Dec. p. 6: Heemskerk zit met schaterlachjes als een boer die kiespijn heeft; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 2: Zoo zij lachte, het was als de bekende door kiespijn geteisterde boer; VIII, 12 Dec. p. 4: Soms lachten ze, al leek het wat op boerenkiespijn mimiek; Menschenw. 497: De heeren lachten kiespijnzurig; syn. Lachen als een bok, die palm vreet (zie Nest, 103). Voor Zuid-Nederland vergelijk Schuermans, 322 b: lachen gelijk een hond die slaag krijgt; Rutten, 128: lachen gelijk die van Tienen grijzen; Antw. Idiot. 740: lachen gelijk 'nen boer, die tandpijn heeft, zuur zien; 1489: zingen gelijk 'nen boer die tandpijn heeft, weenen; Joos, 22: lachen gelijk een schaap dat koolblaren eet; nd. lachen wie ennen Bûr, den et Hûs afbrannt oder as de Bûr, wenn he mit 'n Messforken kiddelt ward (Eckart, 305); er lacht wie ein Töpfer der umgeschmissen hat (Wander V, 1533).

2477. Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen,

d.i. ‘als de onrechtvaardigen vrome dingen gaan doen, dan mogen de vromen wel op hunne hoede zijn’Laurillard, 40.; eene waarschuwing tegen een schijnheilige, ook ‘om zich niet tijdens gevaar door mooie praatjes in slaap te laten wiegen’ (Van Eijk II, nal. 55); vertrouw een huichelaar niet. Vgl. Hs. Cyrill. 12 r: Ic (raaf) bootscap u (hoenders) grote bliscap; want die vos is nonne geworden, die vos is gewijlt (gesluierd) ende singet in die kerc mit ynnigen loven; mlat. cum lupus addiscit psalmos, desiderat agnos; Cats I, 436: Wanneer een vos de passy preeckt, boeren wacht uw gansen; 469; 494; De Brune, 22: Wanneer de vos de passy preeckt, 't is tijd, dat ghy uw gans versteeckt; Gew. Weeuw. III, 40: Boer wacht jou ganzen; Tuinman I, 76; 336; II, 128; Adagia, 2: Als den Voss de passie preeckt, Boer wacht u Gansen, nemo tutius malus est quam sub pietatis infula; Harrebomée I, 68; De Telegraaf, 9 Januari 1915, p. 1 k. 4; Het Volk, 27 Febr. 1915, p. 7 k. 2: Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen! Nw. School, VII, 172; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 2 k. 2: t' Is M. Brusse geweest, die in 'n boekje ‘De Journalist’ speciaal over verslaggevers schrijvende, dezen heeft aangemaand niet te ‘litterair’ te doen. Dit was wel eenigszins de vos die de passie preekte; De Cock1, 237; fri. as de foks dominy is, mei de boer syn goezzen wol neigean; Joos, 193; Waasch Idiot. 724: als de vos de passie preekt, boerkens, wacht uw ganzen; Rutten, 268 a; Antw. Idiot. 1402; Eckart, 132; 550; Wander I, 1252; hd. wenn der Fuchs (die Passion) predigt, so hüte Eure Gänse, so nimm die Hühner in acht; wenn der Fuchs die Gänse beten lehrt, so friszt er sie zum Lehrgeld; syn. van wenn der Wolf psalmodirt, gelüstet ihn der Gänse; eng. when the fox preaches, look after your geese; fr. quand le renard prêche aux poules, prenez garde à vous; quand le diable dit ses patenótres, il veut te tromperVoorstellingen van zulk een predikenden vos vindt men meermalen in kerken; zie Th. Wright, Histoire de la caricature et du grotesque dans la littérature et dans l'art, trad. p.O. Sachot, chap. V, p. 76 vlgg.; P.H.v. Moerkerken, de Satire in de Nederlandsche kunst in de Middeleeuwen, bl. 192..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut