Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boemen - (iets van iemand lospingelen, aftroggelen)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boemen overg. en onoverg. (boemde, heeft geboemd), iets van iemand lospingelen, aftroggelen, meestal met valse voorwendsels; bietsen, klaplopen. Gisteren hadden ze beide films ook al, maar ik had geen geld kunnen versieren. Vandaag had ik mijn oudere broer drie tjawa’s* geboemd () (Dobru 1967: 6). Er was wel altijd iemand die zijn geld in de verkeerde dingen zou steken! En die dan nog zou blijven ‘boemen’ (Cairo 1977: 193). - Etym.: Vgl. E to boom (in U.S.A. sedert 1879) = snel (commercieel) vooruit komen (Onions).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut