Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boeman - (kinderschrik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boeman zn. ‘kinderschrik’
Vnnl. boeseman [1573; Thes.], boesman [1599; Kil]; nnl. boeman ‘bullebak, spook’ [1846; WNT].
Gevormd met een tweede lid → man. De 16e-eeuwse vormen wijzen erop dat het eerste lid de stam van het werkwoord boezen ‘stommelen; lawaai maken; kloppen’ [1599; Kil.] is, van onduidelijke verdere herkomst, zie → boezelaar. De huidige vorm moet volksetymologisch zijn ontstaan onder invloed van de uitroep boe; zie bijv. nog de etymologie van Vercoullie: boeman “die de kinderen door zijn boe! boe! verschrikt”. Er wordt ook wel gedacht aan samenhang met Duits Butzemann ‘kinderschrik; kabouter’, dat een even onduidelijke vorming is.
Nnd. Buhmann ‘boosaardige man; spook’; nhd. Buhmann ‘id.’; nfri. bûzehappert, bûzeman, boeba ‘boeman’; ne. bog(e)y man ‘boeman, trol’.

EWN: boeman zn. 'kinderschrik'; de vorm boeman (1846)
ANTEDATERING: BOEMAN ... voor ... "bullebak", "bietebauw" (in Breda) [1836; Hoeufft, 76]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boeman* [afschrikwekkend persoon] {1854, vgl. boeseman 1573} niet onmogelijk gevormd van boe! + man, maar gezien de veelheid van vormen in germ. talen is volksetymologische associatie met boe! waarschijnlijker, vgl. o.a. hoogduits Butzenmann, Butzelmann [keukenmeester, later ook boeman, vogelverschrikker, ook penis], rotwelsch Butze(l)mann [snaak, ploert, penis], nederduits bumann, schots dial. buman, fries buzeman, vgl. hoogduits bützeln [kwellen, krenken], nevenvorm van bitzeln [knauwen, stuksnijden], van beißen [bijten].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

boeman

De verklaring van het woord boeman is al heel eenvoudig. Een boeman is een man die boe! roept en daardoor kinderen bang maakt. De namen van dergelijke kinderverschrikkers zijn veelal ontleend aan de geluiden die zij heten voort te brengen. In de ene streek kent men de bommelman of bommelaar, in de andere de buzeman, de boesoppert en weer elders de bietebauw of de boddeman. De laatste namen komen vooral in het zuiden voor. De veelheid van benamingen is te verklaren uit het streven voor een gevaarlijk wezen telkens weer andere namen te bedenken, omdat de ware naam taboe is. Het woord boeman wordt ook gebruikt voor mannen die als schrikbeeld moeten dienst doen. In dezelfde zin zegt men: de kwade Pier, waarin waarschijnlijk met Pier de duivel bedoeld is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boeman znw. m. heeft een ouder boesman (dat Kiliaen als fries opgeeft) verdrongen, waarschijnlijk door volksetymologie onder aanknoping aan het tussenwerpsel boe.

Dit oudere woord vinden wij in ndd. būseman, nhd. butzenmann terug, dat zich verbreidde naar de. bus(s)emand, zw. buseman en buse (hier naam voor een dwerg). Men zal wel moeten vergelijken mhd. butze ‘huisdemon, spook, persoon, die zich verkleed heeft’, eig. ‘dikke, kleine en verschrompelde gestalte’ vgl. nhd. dial. butz ‘kleine, dikke persoon’, waarvoor zie: bot 4.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boeman znw. Ontstaan uit de interjectie boe + man. Boeman verdrong boesman, dat Kil. als een fri. woord opgeeft en dat = ndd. bûseman (oostfri. ook bûman) is. In ndd. en ndl. diall. komen ook eenigszins afwijkende vormen voor. Als dit woord met mhd. butze m. (nhd. butzenmann; vgl. ndl. dial., hagelandsch, boeteman) gecombineerd moet worden, is het hieruit ontleend, evenals de. bus(s)emand, zw. buse uit het Ndd. komt. ’t Is echter ook mogelijk, dat bûseman onder invloed van ndl.-ndd. interjectische woorden of van afll. van de bij beuzelen en boos besproken basis is opgekomen. Mhd. butze brengt men als “klop-geest” bij ohd. bôʒan “slaan” (zie aanbeeld).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boeman m., die de kinderen door zijn boe! boe! verschrikt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boeman* afschrikwekkend persoon 1854 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut