Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boeler - (Surinaams-Nederlands) homoseksuele man

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boe’ler (de, -s), homosexuele man, (a) als neutraal woord. Een boeler rent, dwars over straat. Ze rossen* ’em, ze schoppen ’em (Cairo 1980b: 134). (b) als scheldwoord (zie cit. onder boelen*). - Etym.: Zie boelen*. - Zie ook: schuren* (3), schuurmeid*, mati*, kompe*.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

boeler: (Surinaams) homoseksueel; flikker*. Volgens Joustra mogelijk afgeleid van het zestiende-eeuwse boel, aanvankelijk de vrouwelijke naam voor een broer, later voor een geliefde, soms ook hoer. Ook wel: boelerbeest in homojargon. De term komt frequent voor op webpagina’s en in nieuwsgroepen. Boeleren betekent ‘ontucht plegen’.

Stelletje kaolo kaaskoppen! Boelers! (Propria Cures, jaargang 112, 2001-2002)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boeler (Surinaams-Nederlands boeler)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boeler ‘(Surinaams-Nederlands) homoseksuele man’ -> Sranantongo buler ‘homoseksuele man’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut