Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boel - (inboedel, grote hoeveelheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boedel zn. ‘bezit, erfenis; spullen’
Mnl. bodel ‘huisraad, roerende goederen’ [1289; CG I, 1343-44], boele ‘huis en hof, (bezit aan) roerende goederen, inboedel’ [1408-14; MNW], bodel ‘(huwelijks)vermogen, nalatenschap, uitzet’ [ca. 1440; MNW]; nnl. boel ‘allerlei zaken, rommel’ [1760; WNT], ‘wanordelijke massa, drukte’ [1786; WNT], een boel ‘veel’ [1784; WNT].
Oude afleiding met achtervoegsel *-ila (zie → druppel) van Proto-Germaans *bōdō-, waaruit ook mnl. boede, bode, buede ‘klein gebouwtje, tent, kraam’ [eind 14e eeuw; MNW] is ontstaan.
Os. bōdlōs (mv.), bodal ‘grondbezit’; ofri. bodel ‘vermogen, roerende goederen, erfenis’ (nfri. boel); oe. bōtl; < pgm. *bōd-ila. Zonder achtervoegsel, dus met mnl. boede, zijn cognaat: mnd. bode ‘gebouwtje, hut’; mhd. buode, bude (nhd. Bude ‘kraam’); me. bōð (< ode. bōð; ne. booth ‘hokje’); on. buð ‘gebouw’ (nzw. bod ‘winkel’, nde. bod ‘kraam’); < pgm. *bōdō-.
Verwante woorden buiten het Germaans zijn: Litouws bùtas ‘huis’ en Oudiers both ‘hut’. De wortel die hierbij hoort is pie. *bheuH- ‘zijn; wonen, (be)bouwen’ (IEW 146), dezelfde als in het werkwoord → bouwen.
In de algemene spreektaal is de -d- uit boedel weggevallen, waardoor boel is ontstaan, zoals in → janboel en warboel; het heeft zelfs tot een pseudo-achtervoegsel -boel geleid, zoals in bijv. theeboel ‘theekopjes, theepot enz.’ [1842; WNT naloopen], koffieboel [1891; WNT], en tot het nieuwe → heleboel, een woord dat ook nu nog vooral in de spreektaal thuishoort. Boedel is na het afsplitsen van boel gereduceerd tot een juridische term, zie ook → inboedel. Boede wordt in de standaardtaal sinds eind 19e eeuw niet meer gebruikt. Het bestaat nog wel in diverse dialecten in de betekenis ‘kraam’ of ‘winkel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boel1* [inboedel, grote hoeveelheid] {1599 als ‘inboedel’; de betekenis ‘grote hoeveelheid’ 1785} verkort uit boedel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boel 1 znw. m. ‘inboedel, menigte’ is samengetrokken uit boedel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boedel znw., met d-syncope boel, mnl. (noordndl.) boedel, ook reeds boel m.o. “vermogen, erfenis, uitzet”. Een oudere bet. heeft os. bôdlos nom. mv. m. “huis en hof”. Ofri. bôdel o. = “vermogen, roerende goederen, erfenis”. Verwant met mnl. (noordndl.) boede v., nnl. dial. boet, boe, boeie, bòj, mhd. (oostmd.) buode, bûde (nhd. bude), mnd. bôde v., meng. bôþe (eng. booth) “hut, houten gebouwtje, tent”. Niettegenstaande de ô - die wsch. secundair is, minder wsch. op ôu teruggaat - is dit woord niet van on. bûð v. “woning, tent, hut”, ags. botl, bold o. “gebouw” te scheiden, welke woorden van den wortel bhû- (zie bouwen) komen. Vgl. voor de formatie čech. bydlo “verblijfplaats, woning”, lit. buklas “leger van een dier”; oerverwant zijn ook ier. both “hut”, lit. bùtas “huis”. Uit het Germ komen čech. bouda, po. buda enz. “kraam”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boel 1 m. (menigte), = boe-ël = boedel (z.d.w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boel ‘grote hoeveelheid, heleboel’ -> Duits dialect Bul, Bule ‘grote hoeveelheid, heleboel, hoop; rommel’; Papiaments bòl ‘grote hoeveelheid, heleboel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) bull ‘grote hoeveelheid, heleboel’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boel* inboedel 1460-1470 [Latijns-Middelnederlands Vocabularius, hs. 19.590 Brussel]

boel* grote hoeveelheid 1785 [WNT winst]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1728. Den boel opscheppen,

d.w.z. alles in rep en roer brengen, een standje maken; drukte maken; stukslaan, kijven, alles het onderste boven smijten (Rutten, 33; 163); syn. van de peentjes opscheppen (in Kmz. 364) of de peultjes opscheppen (V. Ginneken I, 496), 'n bal sloon (N. Taalgids XIV, 196). In Zuid-Nederland beteekent iemand zijn peeën opscheppen: iemand de les lezen (Antw. Idiot. 944; Schuermans, 438); in het oostfri.: de bûl upscheppen, schoonmaak houden, reinigen (Ten Doornk. Koolm. I, 248 a; III, 480 a). Waarschijnlijk is de eerste bet. den boel in orde maken, opknappen, opschoonen (Molema, 311 b), waaruit door het ironisch gebruik de tegenw. bet. kon voortvloeien; vgl. den boel toetakelen, eig. een schip van touwwerk voorzien, in orde maken (Winschooten, 307); Spaan, 268: Wy meinen 't Huis van dezen avond wel helder op te schikken; den winkel, het huis opschikken, den kreupelen waard slaan (Ndl. Wdb. VIII, 180; XI, 1162); Halma, 265: De kitZie Günther, die Deutsche Gaunersprache, 104. boenen, veegen of schoonmaken, déménager un bordel, en chasser tout le monde, et en briser les meubles; Ndl. Wdb. III, 58; XI, 1149; 1162; Kalv. II, 154; Harreb. III, 53 a; Molema, 311 a; fri. de boel opscheppe.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut