Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boek - (leesboek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boek zn. ‘in een kaft ingebonden bladen’
Onl. buoke (datief ev.) ‘groot document’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. buec, bucsken (verkleinwoord) [1240; Bern.], bouc [1268; Toll.], boech ‘boekdeel’ [ca. 1300; Claes 1982:702], boec ‘bijbel’ [1350; MNHWS], ‘bepaalde hoeveelheid papier’ [1399; MNHWS], boeck ‘hoofdafdeling van een groter werk’ [1479; MNW]; nnl. ‘leeg boek voor het bijhouden van lijsten, financiën enz.’ [1778; WNT].
Os. bōk ‘letter, schrijfplankje’ (mv. bōk ‘boek; boeken’); ohd. buoh ‘letter, boek’ (mv. buoh ‘boek; boeken’) (nhd. Buch (mv. Bücher)); ofri. bōk ‘boek’ (nfri. boek); oe. bōc (mv. bēc ‘boek, boeken’) (ne. book); on. bók ‘geborduurd kussen, boek’ (mv. bœkr) (nzw. bok; nijsl. bók); got. boka ‘letter, geschrift’ (mv. bokos ‘boek, brief’); < pgm. *bōk- ‘letter; iets waarop letters staan’.
Etymologische samenhang met → beuk 1 ‘boom’ is onwaarschijnlijk: *bōk- ‘letter’ is oorspr. een wortelnomen (wat nog zichtbaar is in het Oudnoords en het Oudengels); *bōkō- ‘beuk’ is een ō-stam. Uitgaande van *bōk- met grondbetekenis letterteken (os., ohd. en vooral got.), en gezien de oudste attestaties, die altijd Latijnse en/of bijbelse geschriften betreffen, moet het gebruik van het meervoud in verschillende Germaanse talen met de betekenis ‘geschrift, boek’ zijn ontstaan onder invloed van Latijn littera (ev.) ‘letter’, litterae (mv.) ‘brief, literatuur’ en Grieks grámma (ev.) ‘letter’, grámmata (mv.) ‘brief, schrift, alfabet’. De ontlening van dit gebruik kan vergemakkelijkt zijn door het feit dat voor het enkelvoud de betekenis ‘iets waarop (letter)tekens staan’ al bestond. Oudkerkslavisch bukŭvi (mv.) ‘geschrift, brief’ (met o.a. Bulgaars bukva ‘letter’, Russisch bukva ‘letter’) is ontleend aan het Germaans.
Wellicht bestaat er etymologisch verband met: Sanskrit bhága- ‘welstand, geluk’; Avestisch baga- ‘aandeel, lot’; Litouws bùrtai (mv.) ‘lot, toverij, waarzeggerij’ bij het werkwoord bùrti ‘toveren, voorspellen’; Lets (neologisme) burts ‘letter’, letterlijk ‘toverteken’; en, met lange klinker, met: Sanskrit bhāgá ‘aandeel, lot, lotsbestemming’ bij het werkwoord bhájati ‘hij geeft, wijst toe’; Avestisch bāga- ‘aandeel’. De grondbetekenis van boek kan dan ‘teken, toverteken, lotsteken’ zijn. Ook ontlening aan het Turks is gesuggereerd.
Tot in de tweede helft van de 20e eeuw werd pgm. *bōk- (meervoud *bōkiz) algemeen gezien als nevenvorm van *bōkō- ‘beuk’ (waarbij → boekvink en Fries boek ‘beuk’ horen). De samenhang met beuk zou hierin bestaan dat de Germanen runen in beukenstaafjes kerfden (zie ook → boekstaven), waarvoor echter geen historische bewijzen bestaan; de beuk was bovendien geen heilige boom. Ook werd verband gelegd met het beukenhouten, met was bedekte plankje dat in de vroege Middeleeuwen als schrijfmateriaal werd gebruikt; een verzameling van dergelijke plankjes, ofwel een boek, zou dan het gebruik van het meervoud met de betekenis ‘boek’ in ouder Oudsaksisch, Oudhoogduits, Oudengels en Oudnoords verklaren, evenals het Gotische meervoud bokos. Er is echter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de Germanen ook hun runen, waar het oorspr. toch om moet zijn gegaan, al op wastafeltjes schreven.
Lit.: Seebold 1981

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boek1* [leesboek] {901-1000, oudnederlands buoke (3e nv.) middelnederlands boec, booc} middelnederduits bōk, oudhoogduits buoch, oudengels bōc, oudnoors bōk, gotisch boke [(enk.) letter], bokos [(mv.) boek]. Men heeft lang gedacht, dat het woord samenhing met boek = beuk, waarbij men wees op het beukenhouten plankje dat in de Middeleeuwen nog werd gebruikt als schrijfmateriaal, vgl. gotisch bokos [brief, document]. Tegenwoordig ziet men als verwant oudindisch bhagaḥ [bezit, toedeler, heer]. In het oudgermaans zou de betekenis dan zijn ‘lot, dat wat toebedeeld is’, die zich verder ontwikkelde tot ‘(tot het lot bestemd) runeteken’ en ‘boek’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

boek

Het woord boek is hetzelfde als beuk. In de 17e eeuw zijn uit het oosten van Nederland allerlei eu-vormen in het Hollands doorgedrongen die soms de oudere oe-vormen verdrongen, soms dubbelvormen deden ontstaan. Daarbij hoort beuk. In woorden als boekvink (in de beuk levende vink) en boekweit is de oe-klank bewaard. Naast elkaar vindt men: genoegen en geneugte; boek en beuk. De oudste betekenis van boek is: beuk, schrijftafeltje van beukenhout. Dan gaat het woord ook: letter en in het meervoud: geschreven stuk betekenen. In het Middelnederlands gebruikt men voor letter het woord boekstaf (stafje, stokje uit beukenhout, waarin runen werden gesneden). Dit woord leeft nog voort in boekstaven. Tacitus verhaalt dat de Germanen hun runen sneden in takken van vruchtdragende bomen, dus b.v. beuken. Langzamerhand pas krijgt boek zijn huidige betekenis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boek znw. o., mnl. boec, os. bōk o. v., ohd. buoh o. v., ofri. bōk o. v., oe. bōc v., on. bōk v. In het got. vinden wij bōka ‘letter’ en mv. bōkōs ‘geschreven stuk, brief, document, boek’. Samenhang met het woord beuk naast boek is waarschijnlijk. Men neemt in het algemeen aan, dat men moet uitgaan van het ritsen van lettertekens in beukestaafjes (zie: boekstaven); het is dan echter opmerkelijk, dat het woord sedert het oudste voorkomen juist betekent het vreemde (in het Latijn) geschreven boek.

H. Kuhn, Festschr. Neckel 59-60 wil daarom uitgaan van het germ. woord *baukn (waarvoor zie: baken) en construeert de betekenisontwikkeling ‘teken, merkteken, tekening’ > ‘schriftteken’. Daarbij steunt hij zich op de betekenis ‘(met figuren) geborduurde beddetijk’ in het on., maar dit heeft weinig bewijskracht, daar het wel uit het wgerm. zal zijn overgenomen (het wordt eerst in Eddaliederen met westgerm. sagenstof aangetroffen). — H. Rosenfeld, Rhein Museum f. Phil 95, 1952, 205 denkt aan de mogelijkheid, dat het in het vroeg-germ. een woord was voor uit beukehout gemaakte en met was bestreken wastafeltjes, die voor briefwisseling dienden. — Men zal de oude verklaring dus met zeer grote reserve moeten beschouwen, te meer omdat het gebruik van het woord in de Gotische bijbeltaal, waarin wel voor het eerst onze huidige betekenis van ‘boek’ optreedt, een herkomst aan het heidense runengebruik niet waarschijnlijk maakt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] boek. Zie J. Hoops, Reallexicon der germ. Altertumskunde I, 349 vlg.

boek znw. o., mnl. boec o. m. (nog m. in het Zuidndl.) “boek, ambtelijk stuk”. = ohd. buoh o. v. (nhd. buch o.), os. bôk o. v., ofri. bôk o. v., ags. bôc v. (eng. book), on. bôk v. “boek”, ospr. “schrijftafeltje van beukenhout”. Os. bôk komt nog = “schrijftafeltje” voor. Got. boka v. (waaruit obg. *buky “letter”, mv. bukŭvi) beteekent “letter”, het mv. bokos “geschreven stuk, document, brief, boek”. De bet. “schrijftafeltje uit beukenhout” gaat terug op die van beuk, vgl. on. askr m. “esch”, almr m. “olm”, lind v. “linde”, ŷr m. “taxus”, die ook voor uit ’t hout van die boomen gemaakte schilden e.a. voorwerpen gebruikt worden. In de wgerm. talen zijn de kortste stam en de oudste (*bôk- resp. *bôka-) voor “schrijftafeltje, boek” in gebruik, terwijl de boom gew. door andere vormen wordt aangeduid; zie beuk. Voor “letter” wordt mnl. boecstaf (gen. āves) m., onfr. buochstaf, ohd. buohstap(b), nhd. buchstabe, os. bôkstaf, ags. bôcstæf, on. bôkstafr m. gebruikt, eig. “stokje uit beukenhout om runen in te snijden”. Voor ’t tweede lid zie staf. Ook os. staƀ, ags. stæf, on. stafr m. alleen komen in die bet. voor. Vgl. nog Tacitus Germania 10, waar verteld wordt, dat de oude Germanen hun runen in takjes van een “frugifera arbor” sneden. Zie verder beuk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boek. Het enk. betekende ospr. ‘schrijftafeltje van beukenhout’. Vandaar, dat in de bet. ‘boek’, d.w.z. ‘verzameling van zulke tafeltjes’ het woord in het oudere Ohd. Ags. On. meervoudig gebruikt wordt. Ook Got. bokos mv. zal hierop berusten, al doet de bet. van boka ‘letter’, bokos ‘oorkonde, brief’ secundaire invloed vermoeden van gr. grámma ‘letter’, mv. ‘brief’, resp. lat. littera, ‘letter’, mv. ‘brief’. Bij mnl. boecstaf enz. het ww. † boekstaven, sedert het Mnl. (Hand-wb.), Mnd. Mhd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boek 2 o. (gedrukt boek), Mnl. boec m. en o., Os. bók v. en o. + Ohd. buoh m. v. en o. (Mhd. buoch, Nhd. buch o.), Ags. bóc v.(Eng. book), On. bók (Zw. bok, De. bog), Go. boka v., bok o. is van denz. oorspr. als boek 1, beuk en bet. beukeschors om runen in te krassen; cf. Lat. liber = schors, boek. De Got. woorden bet. in 't enk. letter, in 't meerv. geschrift, boek. Ging over in 't Slav.: Osl. buky = letter, bukva = boek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

book (zn.) boek; Aajdnederlands buoc <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boek (het, -en), (ook:) tijdschrift. - Samenst. o.m. sexboek: In z’n kamer lag zowat alles overhoop. Die vuile kleren stonden op een stapeltje in een hoek, met wat uit een seksboek gescheurde pagina’s d’rbij (Cairo 1977: 30). - Etym.: Ook in N komen b. (en sexboek) voor in deze bet. bij minder ontwikkelde mensen. - Samenst. ook: modeboek*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boek: bep. vorm v. drukwerk; Ndl. boek (Mnl. boec), Hd. buch, Eng. book; hou verb. m. pln. beuk (op strokies daarvan is vroeër geskryf, vandaar dat (skryf)letter(s) reeds in Mnl. boecstaf en nog in Hd. buchstabe heet), m. d. gevolg dat boek en beuk vroeër soms as wv. gegeld het en later tot doeb. ontw. het.

boekie I: dim. v. boek (v. boek en beuk I).

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Boek der boeken, het allerbeste of allerbelangrijkste boek dat er is; bijna steeds in toepassing op de bijbel.

De uitdrukking is een voorbeeld van de Hebreeuwse genitief. In tegenstelling tot bijvoorbeeld ijdelheid der ijdelheden komt zij niet in de bijbel zelf voor. Ze is toch al enkele eeuwen bekend; het WNT geeft als oudste datering van deze kwalificatie van de bijbel 1772. Het is niet zeker of Th. van Gogh, die met zijn boek der boeken naar een Braziliaanse roman verwijst, de algemene toepassing hanteert, of knipoogt naar de betekenis 'bijbel'. Hetzelfde geldt voor de verbinding: 'Het WNT, woordenboek der woordenboeken' (Leidsch Dagblad, 26-11-1988; NRC, 26-6-1998, p. 25).

Hij [vraagt] in moeizaam, genasaleerd Vlaams wat de lezing van het boek der boeken mij doet. Nu, niets bijzonders. (NRC, maart 1994)
Aan tafel las Jans vader uit het boek der boeken. Altijd Mattheus, als je soep wou eten. (S. Carmiggelt, De gedichten, 1974 (Jan, 1954), p. 61)
Door welk boek of film ben je beïnvloed? 'Het boek der boeken: De koning der aarde van de Braziliaanse schrijver Dalton Trevisan.' (Th. van Gogh in HP/De Tijd 16-4-99, p. 128)

Een gesloten boek, een mysterie, een onbekend verschijnsel, een afgedane zaak, een kwestie waar men niet meer op terug komt.
Een open boek, een volkomen begrijpelijke zaak; persoon die geen geheimen voor je heeft.

In Openbaringen wordt verhaald over boeken, verzegeld met zeven zegels, die niemand in kon zien (Openbaringen 5: 1-3). Later (20:12) worden ze geopend. Het is de vraag of de verschillende uitdrukkingen met gesloten of open boek op exclusief bijbelse beeldspraak berusten, of een algemene basis hebben. De tweede betekenis van een gesloten boek is in elk geval niet op de bijbel gebaseerd en mogelijk beïnvloed door de verbinding een afgesloten hoofdstuk.

Liesveldtbijbel (1526), Openbaringen 5:3. Ende niemant inden hemel noch opter aerden, en conste dat boec open gedoen noch aengesien.
Wat de Engelsen zo fraai de facts of life noemen, dat was een gesloten boek voor mij. (NRC, apr. 1995)
Ik ben van mening dat dit onderzoek in het westen van het land allang een gesloten boek zou zijn geweest. Na vier weken al. (Meppeler Courant, jan. 1994)
Ik, die jarenlang bij mijn beste weten een open boek voor je was, ben tot de ontdekking gekomen dat al wat in mijn leven werkelijk belangrijk was tussen ons verzwegen bleef. (A. Blaman, Eenzaam avontuur, 1995 (1948), p. 6)

Boek des levens, het boek waarin alle mensen staan geschreven met hun levenswandel en op grond waarvan zij beoordeeld zullen worden; de bijbel.

Onder andere Exodus 32:32 maakt melding van het boek waarin God de rechtvaardigen noteert; in de oudere vertalingen boek des levens genoemd. Ook in Openbaring wordt het meerdere keren genoemd. De betekenis 'bijbel' wijkt hiervan af en is misschien onder invloed van die van boek der boeken ontstaan.

Statenvertaling (1637), Psalmen 69:29. Laetse uytgedelcht worden uyt het boeck des levens: ende met de rechtveerdige niet aengeschreven worden.
Zoals indertijd het liedje Dank u voor deze nieuwe morgen aan mij [H. Oosterhuis] werd toegeschreven. Voor sommigen een reden mij definitief heilig te verklaren, voor anderen een reden om mijn naam definitief uit het boek des levens te schrappen. (De Tijd, 23-3-1984)
'De hand die meestal schrijft / wat de roede dicteert' [dichtregels van H.Warren] bladert bij het herlezen van het boek des levens rusteloos door naar de pagina's die gewijd zijn aan de vleselijke lusten. (Haagse Post, 17-1-1987)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Boek is verwant met beuk, evenals in ’t Hgd. Buch (boek) met Buche (beuk). Oorspr. schreven onze voorouders hun runen (letterschrift) in beukenschors; zoo is boekstaaf een beukenstaafje, waarin die runen of letters geschreven werden; vandaar nog ons woord: „In ’s lands historieblaân geboekstaafd.” (Vgl. Hgd.: Buchstabe = letter.) Boek nu bet. oorspr. letter, in ’t meerv. een geschreven stuk; vgl. Lat. littera (enk.) = letter; litterae (meerv.) = een geschreven stuk. Later kreeg boek onze tegenwoordige bet. – Boekweit bet.: beukenweit, daar de korrels op beukenootjes gelijken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boek ‘leesboek’ -> Duits Bouqinist ‘handelaar in oude boeken, vooral aan de oever van de Seine in Parijs’ ; Oost-Jiddisch boekinistn ‘antiquaar’ ; Deens bouquinist ‘antiquaar’ ; Frans bouquiniste ‘antiquaar’; Frans bouquin ‘(oud) boek’; Italiaans bouquiniste ‘iemand die gebruikte boeken verkoopt’ ; Pools bukinista ‘antiquaar’ ; Russisch bukiníst ‘antiquaar’ ; Oekraïens bukiníst ‘antiquaar’ ; Wit-Russisch bukiníst ‘antiquaar’ ; Noord-Sotho puku ‘leesboek’ (uit Afrikaans of Engels); Tswana buka ‘leesboek’ (uit Afrikaans of Engels); Zoeloe bhuku ‘leesboek’ (uit Afrikaans of Engels); Zuid-Sotho buka ‘leesboek’ (uit Afrikaans of Engels); Indonesisch buku ‘leesboek; kasboek’; Ambons-Maleis buk ‘leesboek’; Atjehnees bōb, bō' ‘koopmansboek; register; notitieboek’ (uit Nederlands of Engels); Boeginees ‘leesboek’; Gimán buk ‘leesboek; schrift’; Iban bup ‘leesboek’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis buku ‘leesboek’; Javaans buku ‘leesboek’; Keiëes buk ‘leesboek’; Kupang-Maleis buk ‘leesboek’; Letinees puka ‘leesboek’; Madoerees bo', ēbbo', buku ‘leesboek; koopmansboek; administratieboek’; Makassaars ‘leesboek’; Menadonees buk ‘leesboek’; Sasaks buku, buku' ‘leesboek’; Soendanees buku ‘leesboek’; Ternataans-Maleis buk ‘leesboek’; Petjoh boekoe ‘leesboek’ ; Creools-Portugees (Batavia) boekoe ‘leesboek’; Creools-Portugees (Ceylon) buco, boekoe ‘leesboek’; Creools-Portugees (Malakka) buku, buco ‘leesboek’; Negerhollands boek, bok, buki ‘leesboek’; Berbice-Nederlands buku ‘leesboek’; Skepi-Nederlands buk ‘leesboek’; Papiaments buki (ouder: boeki) ‘leesboek’; Sranantongo buku ‘leesboek’; Aucaans boekoe ‘leesboek’; Saramakkaans búku ‘leesboek’ ; Sarnami buk ‘leesboek’; Surinaams-Javaans buku ‘leesboek; tijdschrift; registratie; genealogisch identiteitsbewijs’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boek* leesboek 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

276. Niet in iemands boekje staan,

d.w.z. iemand niet aangaan, zich niet met iets bemoeien; Friesch: dat stiet net yn myn boekje. Vgl. Ndl. Wdb. III, 105; Cats I, 266 c (ed. 1726):

Laet de vijse droomen daer:
 Niet een van duysent is 'er waer;
 En al dat duyster ondersoeck
 En staet niet in der maegden boek.

Ook hier zal wel gedacht moeten worden aan het boekje, waarin de voorschriften staan, waaraan iemand zich te houden heeft; vgl. fr. cela n'est pas dans mon almanach; hd. in meinem Kalender steht nichts davon.

271. Spreken als een boek.

Dit wordt gezegd van personen, als zij een onnatuurlijke, stijve, schoolsche taal spreken, boekentaal gebruiken, en van zaken, als men wil zeggen, dat iets vanzelf spreekt, natuurlijk, duidelijk is, evenals datgene, wat in een boek, bijv. een boek met voorschriften, staat, op zich zelf duidelijk en niet twijfelachtig is; in dezen zin ook: spreken als een brief. Vgl. Uit één pen, 128: Een fijn man, hij sprak als een boek en hij droeg een bril van wegens de geleerdheid. In het fri.: it sprekt as in boek; hd. er redet wie ein Buch; fr. il parle comme un livre; eng. he speaks like a book. In Zuid-Nederland in een eenigszins andere beteekenis; zie Waasch Idiot. 128 a: spreken gelijk een boek, verstandig of boekelijk klappen; Teirl. 189: klappen of spreken gelijk een boek, goed spreken; verstandig, schoon spreken, zonder gebrek noch dwaling; Ndl. Wdb. III, 99.

272. Een gesloten boek.

Wanneer iets voor iemand een gesloten boek is, weet hij niets van den inhoud, is de daarin behandelde zaak hem geheel vreemd. Wellicht moet men hier denken aan boeken, die met koperen sloten werden dicht gemaakt, zooals bijbels en ook kerkboeken, wier sloten evenwel meestal van goud of zilver zijn; doch ook is het mogelijk dat men te denken heeft aan het ‘boek, verzegelt met seven zegelen’, waarvan in den bijbel, Openb. 5:1, sprake is. Vandaar ook de uitdr. een boek met zeven zegelen of sloten in denzelfden zin van iets, waarvan men geen begrip heeft (hd. ein Buch mit sieben Siegeln; eng. a sealed book; fr. c'est lettre close pour lui).

273. Te boek staan.

Dat wil zeggen bekend zijn als, doorgaan voor zoodanig als in een bepaling is aangewezen, bij, in de schatting van anderen. Oorspronkelijk wil de uitdr. zeggen op een register ingeschreven staan onder een bepaalde soort menschen. Ook kan zij, verbonden met een bijwoord (wel, hoog, zeer hoog, goed, laag), beteekenen in iemands schatting veel op zijn creditzijde, in zijn voordeel hebben, bij iemand goed aangeschreven staan (no. 12); fri. hy stiet dêr goed to boek, ook hy stiet dêr yn in goed boekje (vgl. in een goed blaadje) en het Westvlaamsche leege te boeke staan, weinig achting of aanzien genieten (Onze Volkstaal III, 6). Bij Rutten, 32: Op iemands zwarten boek staan, zijn vijand zijn; vgl. ook Waasch Idiot. 128 a; Teirl. 189: In (of op) 't zwart boekske staan, in de gunst niet staan; Leopold I, 201: 't zwarte boek (schuldboek); hd. im schwarzen Buch stehen; eng. to be in a person's black (or bad) books; ook bij ons in iemands zwarte boekje staan, nog wat op zijn kerfstok hebben bij iemand (Dievenp. 97); fr. être marqué sur le livre rouge; vgl. nog het 18de-eeuwsche ergens voor te blad staan, ergens voor doorgaan. Zie verder Ndl. Wdb. III, 103 en no. 242.

274. Een boekje van iemand opendoen,

d.w.z. iemands misslagen en gebreken blootleggen, aan den dag brengen, over hem klagen, alles wat men van hem heeft opgeteekend oplezen; wellicht met bijgedachte aan de boeken, die bij het laatste oordeel geopend zullen worden, en waarin de slechte en goede daden van alle menschen staan opgeteekend (zie Openb. 20:12; Dan. 7:10). Vgl. Profijt. Liedeb. 54, 34: Als Jhesus sal rechtveerdich sijn (bij het jongste gericht)..... den rekenboeck is open ghedaen; men leest mi daer een cort vermaen: hoort toe hier is alle u leven, gheringhe ghi moet rekeninge gheven. - In de 17de eeuw in den tegenwoordigen vorm voor het eerst aangetroffen (zie V. Moerk. 490) en ook in Zuid-Nederland bekend; vgl. Rutten, 32: Iemand zijnen boek opendoen, iemand beschuldigen; Joos, 73; Waasch Idiot. 128 b; Teirl. 189; Antw. Idiot. 262: Iemand zijn boeksken opendoen (of openleggen), iemand bekijven. Ook in het Friesch: in boekje fen immen opdwaen. Zie verder Tuinman I, 12; Ndl. Wdb. III, 104; Nest, 34: Hou jij je mond maar, baron! anders zullen we een boekje van je opendoen; vgl. Heel wat, iets op zijn boekje staan hebben, veel op zijn kerfstok hebben (o.a. Dievenp. 17; Jong. 10; Krat. 145; Amst. 20; Uit één pen, 37).

275. Buiten zijn boekje gaan,

d.w.z. ‘zijn eigen terrein verlaten, zijne bevoegdheid te buiten gaan; spreken over zaken die niet aan de orde zijn of waarvan men geen verstand heeft, of: iets doen waartoe men geen recht of geen last heeft’. Ook in het Friesch: hou! nou giest bûte 't boekje, nu dwaalt ge van den tekst af; ook: nu spreekt gij onbehoorlijke taal, bv. onkieschheden in een gemengd gezelschap (W. Dijkstra, 293); in het Engelsch to go beyond the book. Ook omgekeerd zegt men: hij houdt zich aan zijn boekje, van angstvallige, niet zelfstandig denkende menschen. De eigenlijke bet. zal wel zijn zich houden aan hetgeen in het boek met voorschriften staat, vervolgens zijn bevoegdheid te buiten gaan. Vgl. bij Hooft, Brieven, 139: buiten de boodschap, buiten de gegeven opdracht, buiten het boekje; zie verder voor syn. uitdr. 't Daghet XIII, 47; Schuerm. 277: buiten het koordje gaan, buiten schreef gaan, in zedelijken zin te verre gaan, de grenzen overschrijden; ook over boord gaan, over zijn hout gaan (Teirl. 198). Zie Ndl. Wdb. III, 105; 1792.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut