Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boeier - (klein plezierjacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boeier zn. ‘klein plezierjacht’
Mnl. in de samenstelling boyerscip ‘klein zeilschip’ [1477; MNHWS]; vnnl. boeyer ‘klein koopvaardijschip’ [1514; MNW]; nnl. ‘klein plezierjacht’ [1775-1800; WNT].
Mogelijke een afleiding van het werkwoord boeien ‘een scheepsboord met planken ophogen’ (mnl. boeyen [eind 14e eeuw; MNW]), waarbij de planken met boeien werden vastgesjord, zie → boei 1. Het achtervoegsel -er heeft hier dan een passieve betekenis, zoals bijv. in achterlader. Bij de vorming was wrsch. ook sprake van invloed van scheepsnamen op -er als → botter, → logger, driedekker, tweemaster.
Mnd. bojer(t) ‘schip met mast’; nhd. Bojer; nfri. boeier ‘plezierjacht’ [1835; WFT].
Engels boyer [midden 16e eeuw] is aan het Nederlands ontleend.

EWN: boeier zn. 'klein plezierjacht' (1477)
ANTEDATERING: boeyers of pleiten 'boeiers of platbodems' [1455; iMNW pleite I]
{De tweede attestatie in het EWN moet luiden: boyer [1514; MNW].}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boeier [vaartuig] {bo(e)yer [een klein koopvaardijschip] 1514} van middelnederlands boeyen [een scheepsboord met planken ophogen], van boeye (vgl. boei1 [keten]); de planken werden vastgesjord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boeier znw. m., mnl. boeyer, boyer ‘klein soort van zeilschip’, mnd. bojer, bojert ‘schip met een mast’. — > nhd. bojer, ne. boyer, nfra. boyer. — Te vergelijken is mnl. boeyen, boyen ‘het scheepsboord met planken ophogen’, waarvan de herkomst onbekend is. FW 76 onderstelt een afleiding van boei 1, wat mogelijk is, wanneer men er van uitgaat, dat in storm het boord met planken verhoogd werd, die dan aan de reling vastgesjord werden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boeier znw., mnl. boeyer, boyer m. “klein soort van koopvaardijschip”. = mnd. bojer(t) “klein schip met één mast”. Uit het Ndl. en Ndd. ook in de eng. en duitsche scheepstaal. Wsch. afgeleid van het ww. boeien, mnl. boeyen, boyen “het scheepsboord met planken ophoogen”, van onbekenden oorsprong, misschien van boei I gevormd?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boeier. Uit het Ndd. ook zw. bojert (verouderd); uit het Ndl. fr. boyer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boeier ‘vaartuig’ -> Engels boyer ‘vaartuig’; Schots † boyart ‘klein vaartuig met één mast’; Duits Bojer, Bujer ‘(Vlaams of Nederlands) vaartuig’; Oost-Jiddisch boejers ‘zeilwagen, ijszeiler’ ; Deens bøjert ‘vaartuig’; Frans † boyer ‘soort boot voor transport in Nederland en Vlaanderen’; Tsjechisch bojer ‘vaartuig’ ; Pools bojer, bojerowiec ‘vaartuig’ (uit Nederlands of Nederduits); Kroatisch bujer ‘slee op drie ijzers met een zeil om op ijs te zeilen’; Russisch buer ‘zeilslee; (verouderd) eenmastig halfdekvrachtschip’; Wit-Russisch buer ‘zeilslee’ ; Litouws bujeris ‘zeilslee’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boeier vaartuig 1475 [ARA Rentmeesterschappen I, 108]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut