Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boei - (band)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boei 1 zn. ‘keten’
Mnl. boien (mv.) ‘ketenen’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. boeyen ‘gevangenschap, gevangenis’ [1526; WNT verzwaren], ‘figuurlijke ketenen’ [1580; WNT verbeest].
Al dan niet via Oudfrans buie, boie ‘keten, boei’ [12e-13e eeuw] uit Latijn boia (meervoud boiae) ‘halsband, voetboei’, van onbekende verdere herkomst. Een wel geopperde verdere afleiding van Grieks boeĩai ‘stroken ossenleer’ (afleiding van boūs ‘rund’) wordt tegenwoordig als onjuist beschouwd (Walde/Hofmann).
Mnd., mhd. boie; nfri. boeijen (mv.) ‘figuurlijke ketenen’ [1824; WFT], boei ‘kluister’ [1869; WFT]; on. (< mnd.) beja, bœja (nzw. boja).
boeien ww. ‘de aandacht vasthouden’. Mnl. boeyen ‘ketenen’ [1300-50; MNHWS] en (overdrachtelijk) ‘de aandacht vasthouden’: nnl. boeijen [1816; WNT]. Afleiding van boei.

EWN: ♦ boeien ww. 'de aandacht vasthouden'; de betekenis 'de aandacht vasthouden' (1816)
ANTEDATERING: boeien 'de aandacht vasthouden' in: te boeien 't wuft gehoor [1651; Van Vondel, 85]
{Aan de betekenis van het ww. moet toegevoegd worden: 'ketenen'.}
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boei1 [band] {boie, boei [boei, keten] 1285} < latijn boiae (mv.) [halsband].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boei 1 znw. v. ‘kluister’, mnl. boeye, boye < ofra. buie, boie < lat. bǒja ‘voetboei’. Zo ook mnd. bōie waaruit zijn overgenomen on. beja, bæja, nnoorw. bejar, ode. boje, zw. boja.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

boei I (kluister), mnl. boeye, boye v. Komt evenals mhd. mnd. boie v. (m.) van lat. bôia “keten, halsboei”, vanwaar ook ofr. buie, boie. Wellicht door rom. resp. fr. bemiddeling ontleend. Uit het Mnd. weer on. beja v. ”keten, boei”, ode. boje, zw. boja « boei”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boei I (kluister). I.pl.v. lat. bôia, hier en onder boei II genoemd, lees boia.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boei 1 v. (kluister), Mnl. boeie, boie, gelijk Mhd. boie, uit Mlat. boiam (-a) = kluister, van klass. Lat. boiæ = halsband van leder, naar het volk der Boii: Boiische band; uit Ndd. On. bója (Zw. boja, De. boie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

boei (de, -en), metalen armband uit één stuk, in de vorm van een niet geheel gesloten ring met aan de uiteinden een knop: (a) dik en hol, gebruikt als sieraad. D’r IK in d’r wilde een boei. Een van zilver, met twee slangekop d’raan (Cairo 1979b: 98). (b) dun en massief, op verschillende manieren voorzien van toevoegingen, in gebruik als amulet. De loekoeman* gaf Konti op verzoek van zijn vriend Karlo een tapoe* mee, een ijzeren boei (angoni) waaraan enkele papamoni* waren bevestigd; deze moest Konti aan zijn bovenarm dragen wanneer hij aan het werk ging (Bradley 1968, cit. volgens Doelwijt 1972a: 148). - Etym.: Helman (in Helman 1977: 57) veronderstelt dat het woord teruggaat op de ‘boeien’ waarmee geboeid werd in de slaventijd. - Zie i.v.m. a opgeblazen boei*, bombereboei*. Opm.: Surinamers in Ned. kennen verder, blijkens adv. in WS, ‘Aisaboei’ (zie Aisa*), ‘blaka boei’, ‘Chinese boei’, ‘Javaanse boei’ en ‘slangeboei’ (zie het eerste cit. hiervoor). Ook in Sur.?
— : opgeblazen boei, bewerkte boei* (a): z.a. Met spoed gevraagd: Ervaren Surinaamse goudsmid. Grote ervaring met filigrain werk en het vervaardigen van opgeblazen boeien vereist (WS 22-10-1983, in adv.). - Syn.: bombereboei*. Zie ook: slaven(arm)band*.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boei ‘drijvend baken’ (Oudfrans buie)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boei ‘band, keten’ -> Duits Buje ‘keten (om iemand gevangen te houden)’; Russisch buj ‘de ijzers waarin een matroos wegens misdrijf gesloten wordt’; Oekraïens buj ‘de ijzers waarin een matroos wegens misdrijf gesloten wordt’ ; Indonesisch bui ‘gevangenis’; Ambons-Maleis bui ‘ketting’; Jakartaans-Maleis bui ‘gevangenis’; Javaans buwi, buwèn ‘gevangenis’; Keiëes bui ‘gevangenis’; Kupang-Maleis bui ‘gevangenis’;? Madoerees bui, buwi, buwih ‘gevangenis’; Menadonees bui ‘gevangenis’; Minangkabaus buih ‘gevangenis’; Sahu bui ‘blok; gevangenis’; Sasaks bui ‘gevangenis’; Petjoh boei, boewi ‘gevangenis’ ; Negerhollands boei ‘ketting’; Sranantongo bui ‘armband; keten’; Aucaans boewi ‘armband’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boei band 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut