Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boef - (schurk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boef zn. ‘schurk’
Mnl. boeuen (mv.) ‘knapen, knechten’ [1265-70; CG II, Lut.K], boeven (mv.) ‘legerknechten’ [voor 1384; MNW], bouve ‘eerloos persoon, snoodaard, schurk, boosdoener’ [1450-1500; MNW]; vnnl. boef “rabbaut, schuym” [1542; Pelegromius], ‘valsspeler’ [1613; WNT]. Vanaf de 17e eeuw ook schertsend gebruikt: Koridon, ghy zijt een boef, Laet de maeghden eenzaem peynzen [1614-29; WNT], olycke boef [1644; WNT been II]; in het nnl. nog vrijwel uitsluitend schertsend.
Herkomst onzeker. Wellicht is het oorspr., net als bijv.baby, baba, boebie, → mama of → papa, een vleinaam of brabbelwoord, met als betekenis ‘broertje, jongetje, manneke’; een andere mogelijkheid is dat het een brabbelende vorming is naast de woordgroep → babbelen, eveneens als naampje voor kleine kinderen.
Als persoonsnaam os. Bōvo (mnd. bove ‘spitsboef’); ohd. Buobo (nhd. Bube ‘jongen’); oe. Bōba, Bōfa; Langobardisch Bōbo; ook nfri. boef en (misschien) mnl. boi ‘jochie’ [1290; CG II, En.Cod.]; West-Fries, nfri. boi ‘jochie, kerel(tje), maat’; ne. boy ‘jongen’, zie → boy; buiten het Germaans Oudfrans boy, boi ‘jonge heer’.
Samenhang met Engels boy is omstreden: Roelandts noemt boy een niet-geredupliceerde vorm bij bijv. Duits Bube; ODEE daarentegen ziet geen etymologische verwantschap.
boefje zn. ‘ondeugend jongetje’. Vroeger veel gebruikt als aanduiding voor de god Cupido: vnnl. boefken ‘Cupido’ [1649; WNT]; nnl. boefje ‘kleine boef (als vlei- of troetelnaam)’ [1728; WNT], en in M.J. Brusses roman Boefje (1903). Verkleinwoord van boef dat de oude betekenis nog min of meer heeft bewaard.
Lit.: K. Roelandts (1984) ‘De etymologie van Fries boai, Engels boy en Middelnederlands boye’ in: N. Århammar e.a. Miscellanea Frisica, Assen 1984, 123-136

EWN: ♦ boefje zn. 'ondeugend jongetje' (1649)
ANTEDATERING: Wacht u van de boefkens heel 'hoed u ten zeerste voor de cupido's' [1544; MNW-R]
Later: een snoo boefken, ende een leugenachtich clapperken 'een boosaardig slecht mannetje en een leugenachtige kletsmajoor' [1569; Goltzius, 103v]; boefken 'jongetje' [1588; iWNT] (EWN: 1728)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boef* [schurk] {als voornaam in Boeve van Hamtone 1260-1280, boef, bouve [knaap, dienaar, boef, vlegel] 1343-1344} verwant zijn de persoonsnamen oudsaksisch Bovo, oudhoogduits Buobo, oudengels Boba, Bofa en oudfries boy, boi [jonge heer], middelhoogduits buobe, engels boy, hoogduits Bube; een woord uit de kindertaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

boef znw. m., mnl. boeve, bouve, boef ‘(tros) knecht, boef’, mhd. buobe (nhd.bube). Daarnaast staat de PN oe. Bōba, Bōfa, os. Bovo, alam. Boabo, frank. Buobo, langob. Bōbo, on. Βōfi (dat echter uit het nd. ontleend zal zijn); daarnaast staan ohd. Babo, dat men wel vergelijken mag met ne. baby en met intensieve geminatie met zw. dial. babbe ‘kleine jongen’, bobbe ‘korte dikke persoon’ (AEW 47).

De aannemelijkste verklaring schijnt wel te zijn, dat hier een onomatopoëtische formatie is aan te nemen, die staat naast de woordgroep van babbelen. Te vergelijken zijn nog gr. babázō ‘kletsen, babbelen’ en osl. baba ‘oude vrouw’. — Er zijn andere verklaringen beproefd: 1. verkorte vorm van broeder (IEW 164); wat echter hoogst onwaarschijnlijk is. — 2. verband met het woord voor boon zoals lat. faba, russ. bob, opr. babo ‘boon’ (P. Persson SVS Upps. 10. 1912, 253 en Wood, MPh 11, 1914, 324); ook onaannemelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] boef. Bob wsch. uit ’t Eng.

boef znw., mnl. boeve (bouve, boef) m. “knecht, trosknecht, boef’. = mhd. buobe m. “id.” (nhd. bube). Vgl. verder de eigennamen ohd. Buobo, ags. Bôfa m. Oorspr. een onomatopoëtische reduplicatievorm (uit de kindertaal?), vgl. mhd. bâbe, bôbe v. “oude vrouw”, eng. baby “klein kind”, ofri. bobba-burg “steun aan een kind verleend”, fri. bobbe(rt) “logge, domme jongen”, zw. dial. babbe “kleine jongen”. De laatste twee woorden heeft men met zw. dial. babb, bobba, wvla. babbe “gezwel” gecombineerd, dat ook onomatopoëtisch is. Wsch. echter zijn ze te beoordeelen als de ndl. kindernaam Bob, die ook niet van bobbel enz. gemaakt is. Buiten het Germ. zijn evenzoo gevormd russ. bába “oude vrouw, boerenvrouw, grootmoeder”, lit. bóba “oude vrouw”, it. babbo “vader” enz. Een dergel. formatie zal wel fri. boi, eng. boy “jongen” zijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

boef. De ndl. kindernaam Bob is uit het Eng. overgenomen (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boef m., Mnl. boeve + Mhd. buobe (Nhd. bube), On. bófi, Ohd. eigennaam Buobo, Ags. id. Bófa: is ablaut van Eng. baby en den er bij hoorenden eigennaam Bavo: redupl. van boe, Idg. *bhâ, koseform van broeder uit de kindertaal (z. boel, boetje en ook Bamis). Eng. boy en Fri. boi staan tot boeve als moei tot muhme.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

boef ‘schurk’ -> Zweeds bov ‘schurk’ (uit Nederlands of Nederduits); Menadonees buf ‘schurk’; Papiaments buf ‘deugniet, boefje, dondersteen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boef* schurk 1260-1270 [CG II1 Boeve]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut