Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bodem - (grond(vlak))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bodem zn. ‘grond(vlak)’
Mnl. bodem ‘grondvlak’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], ‘grondslag, gronden’ [1267; CG I, 93], ‘grondgebied, (laag?) stuk land’ [1270; CG I, 147], ‘onderste deel’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘onderste deel van scheepsromp’ [1400; MNHWS], ‘schip’ [1412; MNHWS].
Er bestaan in de Germaanse talen twee groepen verwante woorden (door wisseling van -d-/-t-). Enerzijds: os. bodom; ohd. bodam (nhd. Boden); ofri. bodem; oe. botm, boām, bytme, byðme (ne. bottom); on. botn (-botten in Scandinavische plaatsnamen als Västerbotten (Zweden), Österbotten (Finland)); anderzijds, met een ander achtervoegsel: ofri. boden (nfri. beame (verouderd), boaiem, boom); oe. bodan, byðne; < pgm. *buðm-, *buðn-, *butm. De wisseling van -d-/-ð- en -t- is opvallend. Bij deze woordgroep horen ook → beun 1 ‘verhoging’ en → beun 2 ‘viskaar’.
Buiten het Germaans verwant met Latijn fundus ‘bodem, grond’ (Frans fond), zie → fond, → fundament; Grieks puthmḗn ‘bodem, fundament’; Sanskrit budhna- ‘bodem, basis’; Oudiers bond ‘voetzool’; uit pie. *bhudhm(e)n-, bij de wortel *bhu(n)dh- met als grondbetekenis ‘grondslag, basis’.
Door syncope van de -d- komen ook vormen voor als boom [1561; WNT boom II], die nog voortleven in de uitdrukking het is er boter(tje) tot de boom ‘er heerst overvloed’ [1647; WNT veldiep], tegenwoordig ook ‘er heerst een uitstekende onderlinge verstandhouding’. Hiermee zijn Fries boom en de uitdrukking boomke boppe ‘ad fundum’, letterlijk ‘bodempje (van het glas) boven’ te vergelijken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bodem* [grond] {1260-1280} de germ. verwanten hebben uiteenlopende achtervoegsels: oudsaksisch bodom, oudhoogduits bodam, oudfries boden, oudengels bodan, botm, oudnoors botn dat ook ‘uiteinde van een binnenzee’ of ‘fjord’ betekent, vgl. Botnische Golf. Buiten het germ. mogelijk grieks puthmèn [bodem, fundament], latijn fundus [bodem] (vanwaar frans fond), oudiers bond [voetzool], oudindisch budhna- [bodem, basis]. De uitdrukking dubbele bodem (in verhalen met een dubbele bodem) is oorspr. afkomstig uit de bierbrouwerij. De dubbele bodem, met een zeefbodem en daaronder een dichte bodem, dient om de wort van de bostel te scheiden → boom3.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bodem znw. m., mnl. bōdem m., os. bodom, ohd. bodam, oe. botm m.; daarnaast met n-suffix: oe. bodan, ofri. boden, on. botn. m. — gr. puthmēn ‘bodem’, oi. budhnas ‘grond, bodem’, en lat. fundus ‘grond, bodem’, gr. púndaks ‘id.’, oiers bond ‘voetzool’. Behalve de wisseling van de suffixen valt ook op die van d en t, beantwoordend aan idg. dh en d (wisseling van geaspireerde en ongeaspireerde cons. komt evenwel in verschillende wortels voor).

H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 17-18 wil deze wisseling verklaren door een paradigma nom. *bhudh, gen. *bhu(n)dnes. — Vendryes MSL 18, 1914, 308 vergelijkt nog verder osl. duno, lit. dugnas ‘bodem’ en construeert een idg. wisseling *bheud(h): *dheub (waarvoor zie: diep). Een dergelijke wisseling is weliswaar niet ondenkbaar, maar ook onbewijsbaar. — Verwantschap met beun en bun is mogelijk. Als scheepsterm is bodem overgenomen in fra. bodine (Valkhoff, Album Verdeyen 332).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bodem znw., mnl. bōdem m. = ohd. bodam m. (nhd., met reeds mhd. suffixverandering boden), os. bodom, ags. botm (eng. bottom) m., met n-suffix ofri. boden, ags. bodan (m.?), on. botn m. “bodem”. Vgl. buiten ’t Germ. ier. bond, bonn “zool”, lat. fundus (*bhudhno-s), gr. puthmḗn, oi. budhná- “bodem”. ’t Is onzeker, of arm. bun “id.” oerverwant is. Ksl. dŭno, lett. dube’ns - en ook lit. dùgnas — “id.” zullen wel met diep verwant zijn, ofschoon de hypothese *dŭbno- > *bŭdno- niet onmogelijk is. De wisseling van de suffixen -mo- en -no- is wsch. idg. en beide gaan dan op -mno- terug, dat in ablaut staat met -men- in gr. puthmḗn. Als germ. grondvormen kunnen we *ƀuðma-, *ƀuðna- aannemen. De opvallende t in ’t Ags. en Ngerm. zou dan secundair zijn. Of moeten we uitgaan van * ƀutta- (uit *bhudhnó-) naast * ƀuðma-, waar dan analogisch weer * ƀut-ma- voor in de plaats kwam? Een bezwaar is de uitgang van on. botn. Naar welke analogie is de n aangevoegd? Of kan botn uit *botm ontstaan zijn? Ook ags. bodan maakt deze verklaring onwsch. Allerlei consonantisme bij ags. bytme, bytne, bythne, byðme v. “carina”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bodem. Het is denkbaar, dat de eigenaardige wisseling tussen t en d in de germ. woorden berust op een reeds idg. dissimilatie *bhudh- > *bhud-: Vendryes MSL. 18, 305 vlgg. (de aldaar voorgeslagen verdere combinatie met de woordgroep van diep, waarvoor nog sterker dissimilaties, resp. omzettingen moeten verondersteld worden, is niet aannemelijk; vgl. nog W. Porzig WuS. 15, 130.). Zeer fantastisch Petersson Idg. Heterokl. 17 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bodem m., Mnl. bodem, Os. bodom + Ohd. bodam (Mhd. bodem, Nhd. boden), Ags. bodan en botm (Eng. bottom), Ofri. boden, On. botn (Zw. botten, De. bund) + Skr. budhnas (voor *bhudhnas), Gr. puthmḗn (uit *phythmên), Lat. fundus (Fr. fond), Ier. bonn (= zool). De Germ. dentaal vertoont de niet voldoende verklaarde afwisseling d-þ-t.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

boojem (zn.) bodem; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) booijem, Vreugmiddelnederlands bodem <1260-1280>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

boom II: – bodem – , soms wv. en soms doeb. v. bodem; Ndl. bodem/boom, verb. m. Hd. boden (ouer bodem), Eng. bottom en hoërop m. Lat. fundus, “bodem” (wu. Fr. fond) en Gr. puthmên, “bodem, diepte”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bodem ‘grond; onderste gedeelte van de romp van een schip’ -> Deens bodem ‘onderste gedeelte van de romp van een schip’; Zweeds bodem ‘onderste gedeelte van de romp van een schip’; Frans dialect † bodine ‘onderste gedeelte van de romp van een schip’; Papiaments bòm (ouder: boom) ‘grond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bodem* grond 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

326. Boter(tje) tot den boôm

wordt gezegd van gelukkige omstandigheden, voorspoed, welvaart, overvloed. De uitdr. is sedert de 15de eeuw bekend en in de 17de eeuw vrij gewoon, vooral in toepassingen op het huwelijk, de wittebroodsweken (Ndl. Wdb. III, 702); dialectisch komt zij ook nu nog voor. Wat men er in eigenlijken zin mede bedoelt, is niet zeker; waarschijnlijk wil men zeggen dat niet alleen boven, maar tot op den bodem van het vat, zuivere, onvervalschte boter is te vinden. Vgl. H. de Luyere, 36: T is hier al boter totten bodem toe; Huygens, Hofwijck, vs. 651:

 De Berghjens die ghy vleidt zijn blanck en groen om 't seerst,
 En 't lachter u all toe, dewijl ghy op uw teerst
 Tot op den Bodem toe gras-boter meent te vinden:
 Maer 't is 'er sorgelick te treden voor de blinden:
 Gesuykert is de korst, de Taerte menighmael van Gall of Aloë.

Evenzoo Oogentroost, vs. 352:

 't Vell-diepe rood en wit, dat met den dagh verdwijnt,
 Eerbieden sy niet min dan boter tot den bo'em toe.

Zie verder Vondel, Leeuwendalers, vs. 2150; Geboortklok, vs. 671; Poirters 149; Tuinman I, 101: 't Is boter tot den bodem toe. Dat wil zeggen, 't is al weelde: gelyk een ton, die met boter van boven tot onder opgevult is; Harreb. I, 65; Ndl. Wdb. III, 702 (en verbeteringen); Het Volk, 11 Januari 1915 p. 5 k. 1: Een deel der burgerlijke pers blijft tegen heug en meug in beweren, dat het in de vluchtoorden alles botertje tot den boom is; Nkr. IV, 21 Aug. p. 4; 16 Oct. p. 6; Zondagsblad van het Volk, 2 Juli 1905 p. 2: Het is waarlijk niet alles botertje tot den boom met zijn veelbewogen leven; H.v.Z. 44: Eerst 'm uitschelde en uitvloeke en nou.... alles botertje tot an de boom; Boekenoogen, 102: 't Is botertje tot den boôm en karnemelk zonder end, 't is alles even mooi en goed; V.d. Water, 63: 't Is toar bottertje boven (boter tot bovenaan, tot den rand toe?), 't is daar vetpot.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut