Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bod - (het bieden; geboden som)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bod zn. ‘het bieden; geboden som’
Mnl. int bot stellen ‘iets veilen’ [1440; MNHWS], bod, bodt, bot ‘geboden som’ [15e eeuw; MNW].
Ablautende vorm (nultrap) bij de wortel van het werkwoord → bieden.
Mnd. bod, bot ‘boodschap, bevel’; ohd. pot; ofri. bod (nfri. bod); oe. bod, bot; on. boð, ook ‘gastmaal, uitnodiging’ (nzw. bud ‘bod’, gästabud ‘feestmaal’); < pgm. *buda-.

EWN: bod zn. 'het bieden; geboden som' (1440)
ANTEDATERING: eerst van een onrechten bode 'vanwege een onrechtvaardige eis' [1343-46; iMNW]
Later: te bode staen "iets veilen" [1408-14; iMNW] (EWN: 1440)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bod* [het bieden] {bot 1440} van bieden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bod znw. o., mnl. bot o. ‘bekendmaking, bevel, bod, dagvaarding, inzet’, mnd. bot o. ‘gebod, bekendmaking’, ohd. pot o. ‘auctoritatem’, ofri. bod o. ‘gebod, bekendmaking’, oe. bod o. (m.) ‘bevel, boodschap, opdracht’, on. boð o. ‘boodschap, bevel’. — Gevormd van de nultrap van het ww. bieden; zie ook: gebod.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bod znw.o., mnl. (vooral noordndl.) bot o. (gen. boods, boots) “bekendmaking, bevel, bod, opontbod, dagvaarding, inzet”. = ohd. pot o. “auctoritatem” (kewalt-pot “indictio”), mnd. bot o. “bevel, dagvaarding”, ofri. bod o. “gebod, bekendmaking”, ags. bod o. (m.) “bevel, boodschap, verkondiging”, on. boð o. “boodschap, bevel”. Bod : bieden = slot : sluiten. Zie gebod.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bod o., Mnl. bot + Ohd. bot, Ags. en Ofri. bod, On. bođ, van denz. stam als ’t meerv. imp. van bieden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bod: – bot – , mv. botte, “aanbieding” (bv. som by vandisie); Ndl. bod (Mnl. bot, “bekendmaking; insetprys”), verb. m. Ndl. bieden, Afr. bie(d)/bieë; v. ook bot I.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bod ‘bieding’ -> Sranantongo bot ‘bieding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bod* het bieden 1440 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut