Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bocht - (uitschot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bocht 2 zn. ‘slechte waar’
Vnnl. bucht ‘slechte plek in hout’ [1549; MNHWS]; nnl. bocht ‘uitschot, rommel’ [1710-29; WNT], bogt “een laage woord, waar mede men alles benoemt dat niet veel deugt” [1729; Halma], ook boecht, bacht (bijv. Schuermans 1865-70).
Mnd. en nu alleen dialectisch bocht, becht, bacht ‘uitschot, drek, vuilnis’; mhd. baht, boht, beht ‘vuilnis, drek, plas’; nfri. bocht [1869; WFT]; got. usbaugjan ‘uitvegen’.
Een wortel pie. *bheug(h)- ‘reinigen, bevrijden’ (IEW 152) is twijfelachtig. Indien mnd. bacht en mhd. baht echter de oorspr. vormen zijn, is er geen verband met got. usbaugjan en is een goede etymologie niet te geven.
In het NN betekent bocht nog uitsluitend ‘slechte waar’ op het gebied van eten en (vooral) drinken en tabak. In Belgische dialecten heeft het de meer algemene betekenis ‘waardeloze spullen, vuilnis’ behouden. In Noord-Nederlandse dialecten komt ook de betekenis ‘onkruid’ voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bocht2* [uitschot] {1710} komt eerst laat in het nl. voor en is verder beperkt tot het hd.; mogelijk verwant met gotisch usbaugjan [uitvegen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bocht

Er is een woord bocht dat betekent: kromming. Dat is een ander woord dan bocht: omheinde ruimte waarin dieren bijeengedreven worden. Op het platteland is in deze betekenis het woord melkbocht heel gewoon. En tenslotte is er een woord bocht voor: datgene wat van slechte kwaliteit is, wat niet deugt, dus: uitschot, rommel. Vroeger kon bocht in deze betekenis ook voor mensen worden gebruikt. Men verstond er dan onder: schuim, janhagel, schorriemorrie. Nu bezigt men het alleen voor zaken en vooral voor etens- en rookwaren. Het woord wordt afgeleid van Gotisch baugjan: vegen en bocht zou dus oorspronkelijk: veegsel, stof, rommel, uitvaagsel zijn. Duitse tongvallen kennen Bocht voor: drek, vuilnis en men zoekt ook verwantschap met het Franse boue: slijk, modder, vuilnis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bocht 2 znw. o. m. ‘uitschot’, gewestel. ook ‘onkruid’ met verschillende bijvormen als bucht, boecht, bacht, verschijnt eerst na Kiliaen, maar mnd. en nhd. dial. kennen ook bocht, becht, bacht ‘uitschot’ en ‘drek, vuilnis’. In het mhd. staan naast elkaar de vormen bāht, bōht en bēht. De verbinding met got. usbaugjan ‘uitvegen’ ligt voor de hand en dit heeft reeds H. Kern, Museum 10, 18-19 verbonden met de oi. wt. *bhuj- (vgl. pali paribhuñjati ‘reinigt, veegt uit’), av. bunǰainti ‘zij bevrijden’, būǰim (4de nv.) ‘reiniging’, dus van de idg. wt. *bheug(h) ‘reinigen, bevrijden’ (IEW 152).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bocht II (uitschot) znw.o., dial. ook m. en v. Dial. bijvormen: bucht, boecht, bacht. Nog niet bij Kil. Vgl. in ndd. en hd. diall. bō̆cht, bē̆cht, bā̆cht “uitschot”, ook “drek, vuilnis”. Het oudst komt voor mhd. bâht o. “vuiligheid, drek, plas”. Daardoor wordt wsch., dat ook bij ons bā̆cht de oudste vorm is, die misschien uit het Duitsch komt, - en tegelijk wordt identificeering met bocht I onmogelijk, - evenzoo de combinatie met got. usbaugjan “schoonmaken”, waarbij met idg. media oi. bhuj-, av. buj- ”bevrijden, reinigen”, lat. fungor “ik verricht” gebracht zijn. Bā̆cht kan op * ƀaŋχti- teruggaan, maar een goede etymologie is niet te geven. Een combinatie met idg. bheŋg- “breken” (zie bank) is slechts een onzeker vermoeden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bocht 2 o. (uitschot), met bijvormen bucht, bacht: alleen Ndl. en Ndd.; oorsprong onbek.; vergel. echter Go. usbaugjan = wegvegen + Zend buja = reiniging, bukhti = reinheid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bóch (zn.) 1. slecht spul, rommel 2. ordinair volk; Nuinederlands bocht <1710-1729>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bocht* uitschot 1710 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut