Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bocht - (kromming, omheining)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bocht 1 zn. ‘kromming’
Onl. *buht ‘omheining’ in de plaatsnaam Butines (geromaniseerde spelling) [1031; Künzel 103], Buhthe [ca. 1175; Künzel 103], beide ‘Buchten (Limburg NL)’; vnnl. bocht, bucht ‘omheining voor vee’ [1588; Kil.], bocht ‘gekromde wateroever’ [1614; WNT] en (wellicht hetzelfde woord) bocht ‘scheepsboeg’ [1635; WNT], ‘kromming in een touw’ [1645-49; WNT] (zoals in in spin de bocht gaat in), ‘wending, verandering’ [1655; WNT], ‘houding bij dieren en mensen’ [1659; WNT] (zoals in de uitdrukking zich in bochten wringen), ‘baai’ [1681; WNT]; nnl. ‘kromming in een weg’ [1785; WNT].
Gevormd met het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ti bij de wortel van het werkwoord → buigen. Een andere mogelijkheid die wel wordt geopperd, is dat het woord een variant is van → boeg.
Mnd. boch(t), buch(t) ‘kromming, baai’ (> nhd. Bucht ‘bocht, inham, baai, haven’ [17e eeuw]); nfri. bocht, bûch ‘kromming; kromming in een weg of vaart; golf, baai, inham; boog van een touw’ (ook bijv. in te bocht stean, letterlijk ‘bok staan’, ‘gebukt staan om iemand te helpen klimmen’); oe. byht ‘kromming’ (ne. bight ‘bocht, baai, lus’); on. knés-, ölboga-bōt ‘knie-, elleboogbuiging’; < pgm. *buhti-.
In de betekenis ‘omheinde ruimte voor vee’ (mnl. bocht ‘ruimte op een veld’ [1431; MNHWS], ‘tijdelijk hok voor weggelopen beesten’ [1447; MNHWS]; vnnl. bocht, bucht [1588; Kil.]; ook nnd. bucht) gaat het wrsch. om hetzelfde woord, waarbij gedacht moet worden aan de kromming van de omheining.

EWN: bocht 1 zn. 'kromming'; de betekenis 'kromming' (1614)
ANTEDATERING: een inwendighe bocht 'een kromming aan de binnenkant' [1594; Stevin, 73]
Later: in die bocht (op zee) [1596; iWNT vlei II] (EWN: 1614)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bocht1* [kromming, omheining] {bocht, bucht [een ruimte op een veld, schuthok voor tijdelijke opvang van verdwaalde beesten] 1431; de betekenis ‘kromming’ 1588} afgeleid van buigen. In de uitdrukking voor iemand in de bocht springen [voor iem. in de bres springen] is bocht wel hetzelfde als in melkbocht, d.w.z. een met staketsels omheinde ruimte. De oorspr. betekenis is dus ‘springen ten behoeve van iem. anders in de plaats waar hij in het nauw zit’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bocht

Er is een woord bocht dat betekent: kromming. Dat is een ander woord dan bocht: omheinde ruimte waarin dieren bijeengedreven worden. Op het platteland is in deze betekenis het woord melkbocht heel gewoon. En tenslotte is er een woord bocht voor: datgene wat van slechte kwaliteit is, wat niet deugt, dus: uitschot, rommel. Vroeger kon bocht in deze betekenis ook voor mensen worden gebruikt. Men verstond er dan onder: schuim, janhagel, schorriemorrie. Nu bezigt men het alleen voor zaken en vooral voor etens- en rookwaren. Het woord wordt afgeleid van Gotisch baugjan: vegen en bocht zou dus oorspronkelijk: veegsel, stof, rommel, uitvaagsel zijn. Duitse tongvallen kennen Bocht voor: drek, vuilnis en men zoekt ook verwantschap met het Franse boue: slijk, modder, vuilnis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bocht 1 znw. v. ‘buiging, kromming’, eerst sedert Kiliaen bekend, maar hij geeft als bet. van bocht, bucht ‘omheining’ en ‘omheinde ruimte’, vgl. mnd. bucht ‘ingesloten ruimte’, oe. byht ‘bocht, buiging’, on. bōt in samenstelling als knēs-bōt ‘buiging van de knieholte’. — Verbaalnomen *buhti bij buigen.

Het homoniem bocht m. ‘omheinde ruimte voor het vee, zoals in melkbocht’ kan evenzo verklaard worden, of men nu uitgaat van een in een bocht afgeschoten ruimte dan wel van de omheining, die van buigzame loten gevlochten was. In de bet. ‘afgesloten plaats waar de stalmest geworpen wordt en waar het vee of de paarden zich verluchten, terwijl de stal uitgemest wordt’ kan invloed van bocht 2 aangenomen worden. — Met de bet. ‘afgesloten plaats voor huisdieren’ is het woord in de 12de eeuw naar oostel. Neder-Duitsland gekomen als bucht ‘omheinde plaats waarin het vee gejaagd wordt’ (vgl. Teuchert Sprachreste 273-6).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bocht I (kromming), sedert Kil., die echter voor bocht, bucht alleen de secundaire bett. “omheining” en “omheinde ruimte” opgeeft, die dial. nog voorkomen. = mnd. bucht (v.?) “ingesloten ruimte” (uit het Ndd. nhd. bucht v., de. bugt, zw. bukt), ags. byht m. “bocht, buiging” (eng. bight, waarnaast bought), on. knês-, ǫlboga-bôt v. “knie-, elleboog-buiging”. Verbaalnomen * ƀuχ-ti- bij buigen, vgl. tocht en vlucht.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bocht I (kromming). Mnd. bucht is v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bocht 1 v. (buiging, inham, omsluiting, kromming van een touw, opgerold touw), + Ndd. bucht, Eng. bight en bought, met suff. -t- van denz. stam als 't meerv. imp. van buigen. De bet. dans komt van de uitdr. in de bocht (d.i. touw) springen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bocht, bacht, zn.: bed. Mnl. bocht ‘schuthok’ (Stallaert), Vnnl. bocht, bucht ‘afgesloten ruimte’. Mnd., Ndd. bucht, Schots E. bought. D. Bucht betekent vandaar ‘afgesloten ruimte als slaapplaats’ (DW), waaruit de Limburgse bet. ‘bed’ te begrijpen is.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

bocht 1 zn. m.: afgeschoten ruimte in schuur, stal of weide, melkplaats van vee in de wei, overdekt deel van schaapskooi, omheinde mestvaalt; afgesloten kerkbank; ruimte binnen het springtouw. Vnnl. bocht, bucht ‘afgeschoten ruimte, omheining’. Oorspr. bet. ‘bocht, kromming’. Oe. byht, E. bight ‘kromming, lus in een touw’, bought, Mnd., Ndd., D. Bucht ‘bocht, lus’, Zw., De. bugt < Ogerm. buhti, een afl. van buigen. Afl. bochten ‘insluiten (en voortdrijven van vee in de wei)’, ombocht ‘driesprong gevormd door sloten die een wei begrenzen en zo een drinkplaats voor het vee vormen’. Samenst. bochtloper, bochtverken ‘jong varken’, bochtstoepe ‘straatje tussen stal en mestput’; herebocht (zie i.v.). Afl. opbochten ‘(vee) in de bocht drijven (om het te melken)’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

bucht (G), zn.: touw waarmee vaten in kelders neergelaten worden. Dial. var. van Ndl. bocht '(in scheepstaal) in een boog neerhangend deel van een touw, ankertouw, tros'. Oorspr. bet. 'bocht, kromming'. Oe. byht, E. bight 'kromming, lus in een touw', bought, Mnd., Ndd., D. Bucht 'bocht, lus', Zw., De. bugt < Ogerm. buhti, een afl. van buigen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bocht ‘(Vlaams) omheinde ruimte waarin dieren worden bijeengehouden’ -> Schots † boucht, bowcht; bucht ‘schaapskooi, binnenkooi om ooien te melken; vierkante kerkbank’; Duits Bacht ‘mengsel van vuilnis, onkruid, stof, stro, fruitresten, groenteresten e.d., een (natte) kuil die als rustplek dient en waar dieren in wroeten’; Duits dialect Bucht ‘omheinde ruimte waarin dieren worden bijeengehouden, nis voor bedstee’.

bocht ‘kromming, inham; gebogen deel van een touw’ -> Engels bout ‘(verouderd) kring; kromming; wedstrijdronde; aanval, vlaag’; Duits Bucht ‘kromming; baai’ (uit Nederlands of Nederduits); Oost-Jiddisch boechtes ‘kromming, inham’ ; Deens bugt ‘kromming; baai’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors bukt ‘kromming; baai’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bukt ‘baai, ronde inham in de kustlijn’ (uit Nederlands of Nederduits); Pools buchta ‘inham’ ; Russisch búchta ‘kromming, inham; het gehele opgeschoten touw’; Bulgaars buchta ‘het gehele opgeschoten touw’ ; Litouws buchta ‘in elkaar gerolde kabel of ankertouw’; Ambons-Maleis bok ‘kromming’; Kupang-Maleis bok ‘kromming in weg’; Menadonees bok ‘kromming’; Berbice-Nederlands boktu ‘kromming’; Papiaments bògt ‘kromming, inham’; Sranantongo boktu ‘kromming’; Surinaams-Javaans boktu ‘bocht (in weg of rivier)’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bocht* kromming 1588 [Kil.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bocht: te kort door de — gaan, niet verder kijken dan z’n neus lang is; kortzichtig zijn. Sinds het begin van de jaren tachtig.

In feite betalen nu alle Nederlanders mee aan de loonstijging in de zorgsector. Premier Lubbers noemde het gisteravond ‘te kort door de bocht om alleen dit aspect te belichten’. (Het Parool, 06/06/92)
Uiteraard moet zo’n brochure een beetje kort door de bocht zijn. Maar ik vind al die dingen die daar staan zeer herkenbaar. (HP/De Tijd, 02/05/97)
De constatering van Ten Hooven dat Rosenmöller zich met zijn visie in het boekje ‘De toekomst in aanbouw’ keert tegen denkbeelden die lange tijd gemeengoed waren bij (voorgangers van) GroenLinks is te kort door de bocht. (Trouw, 13/06/97)
Vanaf komend jaar zullen alleen zwaar gehandicapten nog in aanmerking komen voor een plaats in de werkvoorziening. ‘Kort door de bocht geformuleerd,’ schrijft Dek, ‘de medewerkers van het APO zijn op grond van de criteria van de nieuwe wet niet gehandicapt genoeg.’ (Vrij Nederland, 14/06/97)
‘De enkele keer dat ik iets over mijn vakgebied schrijf,’ zegt Lagendijk, ‘krijg ik prompt reacties in de trant van: ‘Nou nou Ad, dat was weer kort door de bocht.’ (HP/De Tijd, 23/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

266. In de bocht springen.

Meestal voor iemand in de bocht springen, d.w.z. voor iemand in de bres springen, in het krijt treden, iemand helpen, zijne partij opnemen, eene uitdrukking, die ook in Zuid-Nederland (Waasch Idiot. 127 b) en in het Friesch, Nd. en Oostfri. voorkomt. Ten Doornkaat Koolman I, 245 verklaart haar door in die Schranken treten en ziet in ‘bocht’ hetzelfde woord, dat wij nog hebben in melkbocht, dus een afgesloten ruimte, een met een staketsel omheinde ruimte; een perk, waarin dieren worden bijeengehouden.Zie Ons Volksleven V, 7; Antw. Idiot. 261 en Ndl. Wdb. III, 22. Deze uitdr. staat dus gelijk met ‘voor iemand in de mat springen’,Halma II, 534: Se mettre en quatre pour ses amis, voor zijne vrienden in de mat of in de bogt springen. waarin ‘mat’ beteekent de door een mat afgesloten ruimte, waar hanengevechten gehouden werden. Vergelijkt men hiermede andere uitdrukkingen als: in een leelijk parket zitten, in den kansel zitten (Westvl.), dan blijkt dat onze uitdr. eig. wil zeggen: ten behoeve van iemand anders springen in de plaats, waar hij opgesloten, in het nauw zit, waar hij niet uit kan. Steun vindt deze verklaring in het Westvl. uit den bilk springen, de discussie ontwijken, welk ‘bilk’ ook beteekent een weiland, door grachten of heggen afgesloten, waar vee geweid en bijeengehouden wordt, dus: een bocht. De uitdrukking is opgeteekend uit Van Effen's Spectator III, 191; V, 39; VI, 208; VII, 237; X, 77 en verder te vinden bij Rusting 486; Sewel, 130: Voor iemand in de bogt springen (iemand voorstaan), to take one's party, to protect one; bij Halma, 84: Voor iemand in de bogt springen, voor iemand een krakkeel opneemen, prendre le parti d'autrui, ou défendre sa cause; vgl. ook Ndl. Wdb. III, 22. Tuinman (I, 352; II, 54) meent dat de uitdr. ontleend is aan het touwtjespringen. In het N.-Brab. kent men in den boog springen, iem. vervangen, inspringen, waarbij aan 't touwtje springen moet worden gedacht.

910. Het hoekje om zijn (gaan of raken),

d.w.z. dood zijn, gestorven zijn; sterven; de bocht omgaan, - om zijn (Harreb. II, LXIII b; Molema, 43 b); eigenlijk zooveel als heengaan, uit het oog verdwijnen. De uitdr. is ontleend aan de zeelieden, die bij het uitzeilen den hoek van een onzer zeegaten omgingen en vaak nooit weer gezien werden; vgl. bijv. Abr. Blank. I, 23: Hoe veel Leeraars gaan 'er alle jaar het hoekje van Westcappèl niet om, om Heidenen en Mooren te bekeeren. Zie het Ndl. Wdb. X, 212-213; VI, 801 en vgl. Kluchtspel III, 130: Waer sy maer 't hoeckjen om, ick niet een traentjen liet; Vondel's Joseph in Dothan, vs. 426: Wij zullen hem terstond gaan helpen om een hoek (= dooden), waarvoor de Duitschers ook zeggen einen um die Ecke bringen; ook bij hen beteekent um die Ecke sein, plotseling gestorven zijn: ‘lautlos verschwindet der um die Straszenecke biegende aus dem Gesichtskreis’ (Borchardt no. 271); eng. to hook it, er uitsnijden, wegloopen. Zie nog Antw. Idiot. 563; no. 335 en vgl. het Friesch: hy giet de hoeke om.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal