Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boche - (mof)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boche [mof] {1926-1950} < frans boche, verkort uit alboche, van allemoche, oostelijk fr. argot voor allemand, beïnvloed door caboche [kop] = tête de boche, tête de bois [houten kop] → allemande.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

boche: (Frans) Duitser. Een verkorting van het Franse argotwoord alboche, een verbastering van de neutrale aanduiding allemand (Duitser) met bijgedachte aan caboche (argot voor kop) en vandaar tête de boche, tête de bois (houten hoofd). Sedert 1862. Amerikaanse termen voor Duitser waren: Heinie; Kraut; Fritz. Een Engelse term was Jerry (in het Engels ook de benaming voor een kamerpo, waarop de Duitse helmen leken).

Voor den gewezen déporté is de ‘Bosch’ de samenvatting van wat hetgeen wij kaffer noemen. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 02/03/1923)
Als ze het vliegtuig hebben, laten ze ons toch van dorst omkomen! Les sales Boches! Niet toegeven! (Willy van der Heide, Een overval in de lucht, 1950)
‘Germans!’ zei hij. ‘Over there!’ En nog meer, dat oom Gerrit niet verstond. Toen, met een vies gezicht: ‘Boches!’ (Anne de Vries, De storm steekt op, 1952)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut