Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bobijn - (klosje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bobijn zn. (BN) ‘spoel’
Vnnl. bobbyne ‘klos, spoel’ [1573; Thes.]; nnl. bobijn ‘garenklosje’ [1912; Kuipers].
Het woord is vroeg ontleend aan Frans bobine ‘spoel’ [1544]; het heeft de diftongering van -ī- naar -ij- meegemaakt.
bobine zn. ‘inductiespoel; type raceauto’. Nnl. bobine ‘klosje’ [1912; Kuipers], ‘inductiespoel’ [1953; WNT Aanv. bougie]. Ontleend aan hetzelfde Franse woord bobine ‘spoel’.

EWN: bobijn zn. (BN) 'spoel'; de vorm bobijn (1912)
ANTEDATERING: bobijn 'spinspoel' [1640; Bolland, 137]
EWN: ♦ bobine zn. 'inductiespoel; type raceauto' (1912)
ANTEDATERING: "Bobine van Ruhmkorff" 'Ruhmkorff-inductor' [1863; Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage (KB) 27/11]
Later: bobines 'klosjes' [1899; Woordenschat] (EWN: 1912)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bobijn [spoel] {1573} < frans bobine; etymologie onbekend, mogelijk klankschilderende vorming, van een expressieve stam bob.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bobijn znw. v. weversterm, ‘een soort klos’, eerst bij Plantijn vermeld < fra. bobine. Dit woord is gevormd uit bobiner ‘op spoel winden’ dat in de 14de eeuw als balbiner het eerste voorkomt. Men denkt aan een deminutieve formatie naast ofra. baubeter ‘stotteren’ en dan eig. van het geraas van het weefklosje (dit woord zelf uit fra. baube ‘stamelend’ < lat. balbus). Niet meer dan een vermoeden (Gamillscheg 117).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bobijn (weversterm: een soort klos), nog niet bij Kil. Evenals eng. bobbin “klos” uit fr. bobine “id.” (afkomst onzeker). Voor den vooral zuidndl. bijvorm babijne vgl. ajuin.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bobijn. Reeds bij Plantijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

babijn v., gelijk Eng. bobbin, uit Fr. bobine: oorspr. onbek.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

bobijntje Een bobijntje is eigenlijk een ‘garen-’ of ‘spinklosje’. Maar in 1900 werd dit woord in Oost-Vlaanderen ook gebruikt voor ‘druppel, borrel’, mogelijk naar de klosvorm van het glaasje. Kort daarna dook deze borrelnaam in Antwerpen op en onlangs is hij nog in Gent en Amsterdam gesignaleerd. De populariteit van deze borrelnaam hangt samen met het volgende straatliedje:

Och Mietje Pijpekop
Geef mij een bobijntje.
Liever een groot of een kleintje,
Als er maar jenever in is.

Dit straatliedje leidde ook tot de borrelnaam pijpenkop.

[Joos 1900:127; Liev.-Coopm. 208; Mullebrouck 335; Teirlinck 1908:188]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut