Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bobbie - (borst of tepel van een vrouw)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bob’bie (de, -s), 1. borst van een vrouw. Als meneer [de leraar] niet keek, sprong ze gewoon op en danste op en neer allerlei grimassen makend. () ‘Kijk hoe d’r bobbies dansen’, zei Maikel dan altijd (Rappa 1981: 53). - 2. tepel van een vrouw. - Etym.: Vgl. E bubby = bet. 1, sedert 1686, nu alleen dial. in Guyana en op enige Westindische eilanden (Onions, C&L), en D Bübbi (dial.) = bet. 1 (Onions). S bobi = bet. 1 en 2. In bet. 2 wellicht kort voor S bobimofo = tepel, lett. ‘tuit (mofo) van de borst’. - Syn.: bobbetje*, bobsje*. Zie ook: puntje*, spruitje*.
— : bobbie geven (gaf, heeft gegeven), (niet alg.) de borst geven. Aike begon te huilen, Chan ging op het bed zitten en gaf haar bobi (Behr 23).

bobs’je (het, -s), syn. van bobbie*: z.a.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut