Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

boa - (reuzenslang (Boa constrictor); halsbont)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

boa zn. ‘reuzenslang (Boa constrictor); halsbont’
Mnl. boa ‘reuzenslang’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. boa ‘halsbont’ [1839; WNT bocht I].
Ontleend aan Latijn boa ‘grote slang’, waarvan de verdere oorsprong onbekend is. Plinius legde al verband met Latijn bōs ‘rund’, waarbij een boa dan een ‘slang die zich aan runderen vastzuigt’ zou zijn, maar dat is pseudo-etymologie.
In de hedendaagse faunanomenclatuur is Boa de naam van een Zuid-Amerikaans slangengeslacht, waarvan de Boa constrictor (een wurgslang, van Latijn cōnstringere ‘dichtsnoeren, vastbinden’) de bekendste soort is.
In de Parijse modewereld wordt vanaf het eerste kwart van de 19e eeuw (oudste Franse attestatie: 1827) een halsbont wegens de gelijkenis met een grote slang boa genoemd, waarna deze betekenis in andere Europese talen wordt overgenomen.

EWN: boa zn. 'reuzenslang (Boa constrictor); halsbont'; de betekenis 'hlasbont' (1839)
ANTEDATERING: Sabels, Moffen, Boa's, bonte Randen [1828; Dagblad voor 's-Gravenhage (KB) 19/12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

boa [slang, halsbont] {1287 in de betekenis ‘slang’; de betekenis ‘halsbont’ 1844} < latijn boa [grote slang, ook een waterslang]. In de betekenis ‘halsbont’ komt boa uit 19e-eeuws fr., waar deze aanduiding werd gebruikt omdat hij zich als een slang om de hals drapeert.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

boa v., uit Lat. boa, bova, wellicht verwant met bos, gen. bovis = os (z. koe), daar ze zich graag aan runderen vastzuigt.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

boa ‘slang’ (Latijn boa); ‘halsbont’ (Frans boa)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

boa slang 1287 [CG NatBl] <Latijn

boa halsbont 1844 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut