Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blut - (platzak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blut bn. ‘platzak’
Vnnl. bluts(ch) ‘kaal, zonder veren’ [1597; WNT], ‘alles verloren hebbend door het spel’ [1617; WNT], ‘beroofd van iets’ [1632; WNT]; nnl. bluts ‘arm’ [1704; HvH], blutje ‘berooid, platzak’ [18e eeuw; WNT], blut [1872; Dale].
Oorspr. een gewestelijke (volgens het WNT Hollandse) variant van blutsch /bluts/. Wrsch., maar niet met oude attestaties te bewijzen, is het ook hetzelfde woord als → bloot, dat reeds in het Middelnederlands ‘behoeftig, berooid’ kon betekenen.
Nfri. bluts ‘berooid, platzak’ [1856; WFT], blus, blut [1869 resp. 1933; WFT].

EWN: blut bn. 'platzak'; de vorm blut (1872)
ANTEDATERING: en maakt de kassen blut 'en maakt de kassen leeg' [1720; Tafereel, 3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blut*, bluts [geen geld meer hebbend] {blutsch [bloot, kaal] 1597, blutje 1701-1800} vgl. middelhoogduits blutt [bloot]; wel verwant met bloot1, dat in het middelnederlands blutt trouwens ook ‘kaal, behoeftig’ betekende.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blut bnw., eig. dial. holl. ‘alles verloren hebbend’, en oudnl. (Kiliaen) blutten ‘stumperd’, nd. dial. nhd. blutt ‘bloot, naakt’ staat op de vocaaltrap van on. blotna zacht worden’ en behoort tot: bloot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blut, blutsch , verdoffing uit bloot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

blot, bn.: kaal. Wvl. bluts ‘kaal, zonder veren’ (De Bo). Vnnl. bluts(ch) ‘kaal, zonder veren’. Ndl. blut ‘platzak’. Wellicht hetzelfde woord als bloot.

plut, pludde, bn.: blut, alles verloren hebbend. Var. van blut door verscherping b/p. Of door r/l-wisseling uit prut 2.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

blut alles verloren hebbend (Holland). = hgd. blutt, blott. Wschl. = antw. blot ‘kaalhoofdig’. Wschl. = zw. blott ‘bloot, alleen’. Wschl. ablautend ~ bloot.
WNT II 2933.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blut ‘geen geld meer hebbende’ -> Sranantongo blot ‘geen geld meer hebbende’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blut* geen geld meer hebbend 1903 [WNT z.j.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

264. Blut (of blutsch) zijn,

d.w.z. in het spel alles verloren hebben; rut (zie ald.), lens (o.a. in de Gew. Weuw. III, 45), bos zijn (in Friesland, Overijsel en Drente) of bosseman zijn (Antw. Idiot. 280); lut zijn (Waasch Idiot. 415 a). Dit adjectief kan verwant zijn met bloot, zoodat het eig. wil zeggen ‘kaal’, en vandaar platzakZie Franck - v. Wijk, 74 waar gewezen wordt op het nhd. (zeldzaam) en dial. hd. en nd. blut(t), bloot, naakt; vgl. Schuerm. 62 b en De Bo, 155 a, die mededeelen dat bluts de beteekenis kaalhoofdig, bloot heeft; Antw. Idiot. 260: blot, kaalhoofdig (vgl. Zweedsch blott, zonder pluimen).
In een 18de-eeuwsche klucht van ‘De snoevende minnaar of gewaande graaf’ komt bl. 48 voor: myn wyn is blos (= op).
. In de 17de eeuw komen beide vormen meermalen voor; zie o.a. Hooft, Brieven, 274; Huygens, Korenbl. II, 130; Westerbaen, Ockenburgh, 144Ook Oudemans I, 743; Noord en Zuid VIII, 248; 359; Ndl. Wdb. II, 2934.; verder Tuinman II, 138: ‘Ik ben bluts zo zeggen de jongens, wanneer zy alle hunne knikkers verspeelt hebben. 't Is het zelve met ik ben reeuws, ik ben rat’; Bed. Huish. 24: Naakt en blut. Synoniem zijn nog blas, carens pecuniis (Teuth.); blek zijn (Schuerm. Bijv. 39 b en Rutten, 31 a), krop, mot, krut zijn (Schuerm. i.v.), bijstier zijn en bles zijn, welke laatste uitdr. geheel analoog is met de onze (zie De Bo, 132 b); in de Neder-Betuwe kèps zijn (Onze Volkstaal II, 91); te Nijkerk kaaps of keps zijn (Noord en Zuid II, 60); te Antw. keppes zijn (Antw. Idiot. 638) of molk, tops, tort (trot) zijn; Limb. keps zijn ('t Daghet VII, 66; dial. van Bree keps (zie Leuv. Bijdr. XII, 148). In het fri. blus wêze, syn. van kys, lút, lutes en rut (Fri. Wdb. 201 a) en in Groningen: dop, kaps, koal, schoon, kaps en koal wezen (Molema, 84 b). Zie verder Kinderspel en Kinderlust, V, 45-48.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut