Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blunder - (domme fout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blunder zn. ‘domme fout’
Nnl. blunder ‘id.’ [1847; Kramers].
Ontleend aan Engels blunder ‘domme fout’, een afleiding van het werkwoord blunder, Middelengels blundren, blondern. Wrsch. uit on. blunda ‘de ogen sluiten’ (nzw. blunda), waarbij de vorm met -r- een frequentatief is (zo ook Zweeds blundra). Verwant met → blind 1.
Het Engelse werkwoord blunder had oorspr. de betekenis ‘als een blinde bewegen; struikelen, stuntelig bewegen’ [1386]. De betekenisontwikkeling loopt dan via ‘stuntelen; onhandig, dom bezig zijn’ [1471] en ‘onnadenkend of onhandig domme dingen zeggen’ [1483] naar ‘domme fouten maken’ [1711] en ‘grote fouten maken’ [1805].
blunderen ww. ‘domme fouten maken’. Nnl. blunderende (teg.deelw.) ‘id.’ [1936; WNT Aanv.]. Ontleend aan Engels blunder ‘id.’.

EWN: blunder zn. 'domme fout' (1847)
ANTEDATERING: blunder 'miskleun' in: een Engelsche "blunder" [1805; Bilderdijk 1, 153]
Later: menigvuldige "blunders" [1837; Recensent 1, 310] (EWN: 1847)
EWN: ♦ blunderen ww. 'domme fouten maken' (1936)
ANTEDATERING: eerst blunderen 'voortsukkelen' in: Thans is deze compagnie geblunderd door allerlei kampongs [1905; NvdD voor Ned.Indië 23/10]
Later: geblunderd 'misgekleund' [1912; De Sumatra post (KB) 12/7] (EWN: 1936)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blunder [domme fout] {1847} < engels blunder, van to blunder, middelengels blund(e)ren, waarschijnlijk < oudnoors blunda [de ogen sluiten], vgl. verblinden, blind1; de betekenis zal dus oorspr. zijn geweest ‘in den blinde handelen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blunder znw. m. < ne. blunder ‘fout, vergissing’ bij het ww. blunder, vgl. me. blundren ‘in den blinde handelen’ < oudskand. *blundra (niet on. overgeleverd, maar ozw. blundra naast blunda ‘de ogen sluiten’). — Zie verder: blind.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† blunder znw., zeer jonge ontlening (waarsch. begin 20e of eind 19e eeuw) aan eng. blunder, dat bij blind I besproken is. Ook in het Zw. ontleend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

blunder (Engels blunder)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blunder ‘domme fout’ -> Indonesisch blunder ‘domme fout’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blunder domme fout 1847 [KKU] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut