Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blos - (rood op de wangen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blozen ww. ‘rood worden’
Mnl. blosende (teg.deelw.) ‘gezond rood ziend’ [1290; CG II, En.Cod.], blosen ‘bloeien’ [1350; MNW], ‘blozen’ [ca. 1400; MNW].
Mnd. blosen, blöschen ‘rood worden, gaan bloeien’; nfri. bloazje; oe. -blȳsian ‘blozen’ (ne. blush); ozw. blusa ‘gloeien’. Daarnaast ook de zn. mnd. blus ‘vlam, toorts’; oe. blȳsa ‘toorts’; on. blys ‘toorts, licht’ (nzw. bloss ‘fakkel’); mogelijk < pgm. *blus-.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen verwanten buiten het Germaans. Er wordt wel verband gelegd met → bles.
blos zn. ‘natuurlijk rood op de wangen’. Vnnl. blos ‘id.’ [1546; Naembouck]; daarnaast tot in de 17e eeuw vrij algemeen bloos ‘id.’. Afleiding van blozen.
Lit.: F. de Tollenaere (1969) ‘Het Nederlands etymologisch woordenboek’, in: TNTL 85, 230; F. de Tollenaere (1970) ‘(Ver)bluistern, (ver)bleisteren, (ver)blaaisteren’, in: TNTL 86, 1-31

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blos* [rood op de wangen] {1562} nauw verwant met blozen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blos znw., eerst nnl., in de 17de eeuw vaak bloos, Kil. blose, blosken. Bloos is van blozen gevormd, en blos uit bloos ontstaan: in verschillende diall. wordt o.a voor ’t diminutiefsuffix een lange vocaal verkort. Vgl. ook bros.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blos m., uit het dimin. van bloos; z. blozen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blos ‘rood op de wangen’ -> Fries blos ‘rood op de wangen’; Noors bluss ‘oplichtende vlam; lichtschijnsel’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blos* rood op de wangen 1546 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut