Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bloot - (naakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bloot bn. ‘onbedekt’
Mnl. bloet ‘berooid’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], ‘louter, enkel’ [1265-70; CG II, Lut.K], bloede ‘kaal, arm, behoeftig’ [1265-70; CG II, Lut.K], bloet ‘onbedekt, zonder kleren’ [1265-70; CG II, Lut.K], ‘zonder hoofdbedekking’ [1265-70; CG II, Lut.K], blod ‘onbedekt, kaal’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘getrokken (van een zwaard)’ [1285; CG II, Rijmb.], blod, bloet ‘duidelijk, zeker’ [1285; CG II, Rijmb.], bloet ‘beroofd van’ [1290; CG II, En.Cod.].
Herkomst onzeker. Misschien gaat het om een bijvorm van → blood. Aangezien er twee grondbetekenissen lijken te zijn, ‘zwak’ en ‘naakt’, is er wellicht sprake van het samenvallen van twee oorspr. verschillende woordgroepen.
Mnd. blōt ‘naakt, arm’ (nnd. blutt, blott); mhd. blōz ‘onbedekt’ (nhd. bloß ‘louter’, verouderd ook ‘naakt’); ofri. blāt ‘naakt, arm’ (nfri. bleat ‘naakt, berooid, zonder meer’); oe. blēat ‘ellendig’; on. blautr ‘week, zacht’ (nzw. blott ‘bloot; louter’); < pgm. *blauta-.
Mogelijk verwant met Latijn fluere ‘stromen, vloeien’ (zie → fluctueren); Grieks phludarós ‘nat, week’, phlúein ‘opwellen, bruisen’, phludãn ‘overstromen’.
Een oorspr. gewestelijke bijvorm van bloot is → blut.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bloot1* [naakt] {bloot, bloet [onbedekt, arm] 1265-1270} middelnederduits blōt [naakt, arm], middelhoogduits blōz [onbedekt], oudfries blāt [naakt, arm], oudengels bleat [arm, ellendig]; verwanten buiten het germ. zijn onzeker.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

bloot

Het is niet zeker maar wel waarschijnlijk dat het woord bloot verwant is met blood dat wij nog kennen in bloodaard: lafaard en dat hetzelfde is als bleu: verlegen. Ook het woord blut: alles verloren hebbend kan hierbij horen. Bloot is natuurlijk in de eerste plaats: naakt, onbedekt, ongekleed zowel wat het gehele lichaam als wat een deel ervan betreft. Zo zegt men: op blote voeten en: op je blote knieën ergens voor danken. Van wapens gezegd betekent bloot: uit de schede getrokken, blank: het blote zwaard. Maar men spreekt ook van: onder de blote hemel en van het blote oog: het onbeschermde oog. Heel gewoon is bloot thans in de betekenis: eenvoudig, zonder meer, bijvoorbeeld in blote eigendom (eigendom zonder vruchtgebruik) en in bloot toeval.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bloot bnw., mnl. bloot ‘bloot, naakt’ (dan ook ‘arm’), ohd. blōʒ ‘trots’ (maar mhd. blōʒ ‘onbedekt’), mnd. blōt ‘naakt, arm’, ofri. blāt ‘onbedekt, arm’, oe. blēat ‘arm, ellendig’, on. blautr ‘week, zacht’. — Zie: blut.

De grondbetekenis van het germ. woord is niet zeker. In het on. betekent blautr ook ‘doornat’ (vandaar > week > zwak > bang, laf?). Dan zijn te vergelijken gr. phludarós ‘week door vocht’, phludáō ‘overstromen’, een dentaalafleiding bij phléō ‘zwellen, vol zijn’, phlúō ‘overstromen, kletsen’ (zie voor de idg. wt. *bhleu IEW 158-9, maar Pokorny noemt hieronder niet het germ. *blauta). Voor de wisselvorm *blauþa zie bloo(d).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloot bnw., mnl. bloot “bloot, ongedekt’’ (en overdrachtelijk, o.a. = “arm”). = ohd. blôʒ “trotsch” (overdr.; maar mhd. blôʒ = “onbedekt”; nhd. bloss), mnd. blôt “bloot, onbedekt, arm”, ofri. blât “onbedekt”, gew. “arm”, ags. blêat “arm, ellendig”, on. blautr “week, zacht’. Hierbij met ablaut on. blotna “zacht worden”, misschien ook nndl. dial. (holl.) blut “alles verloren hebbend”, nnl. dial. en oudnnl. blutsch “id., bloot, kaal”, oudnnl. blutten (o.a. Kil.) “onnoozele hals, stumperd”, mhd. (zeldzaam), dial. nhd. en nd. blut(t) “bloot, naakt”; deze woorden komen echter in oude bronnen niet voor. Oorsprong onbekend. Een formantische variant (idg. *mlou-do-) van bloo(d)?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bloot bijv., Mnl. bloot = naakt, duidelijk + Ohd. blóʒ = trotsch (Mhd. blôʒ, Nhd. blosz = naakt), Ags. bléat = arm, Ofri. blát = bloot, On. blautr = zacht (Zw. blöt, De. blød), blautna = week worden + Gr. phludáein = papperig worden; vergel. blut en blutsch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bloet (bn.) bloot; Vreugmiddelnederlands bloet <1260-1280>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bloots bw.
1. Sonder saal. 2. (bv. t.o.v. drank) Ongemeng, skoon.
In bet. 1 'n verkorting van die bw. blootsperd (1884) 'sonder saal', met lg. wsk. gevorm na analogie van Ndl. blootshoofds (1569) 'kaalkop'. In bet. 2 'n afleiding met -s van bloot 'kaal, sonder iets bykomends'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bloot bn., bw., (i.h.b.:) 1. onbedekt. Het is goed, ik zal komen; maar ik kan niet over den blooten weg gaan, dus moet je van hier af tot aan je woning een tapijt van droge bladeren en takken voor mij leggen (Penard 1924: 330). - 2. onbebouwd (grond). Te koop: blote kavel (DWT 23-2-1981, in adv.). Daarnaast gelegen perceel 12 x 32 m geheel bloot (WS 19-1 -1985, in adv.). - 3. (fig.) onverhuld. De eerste keer huilde ze toen ze, na over haar toestand te hebben verteld aan één van de heren*, zijn geld moest aannemen om de volgende dag de kinderen eten te kunnen geven; maar toen haar wijze van beloning bekend werd en de heren dus allemaal zó met haar lot begaan schenen te zijn, veranderden tenslotte liefdadigheid en beloning in blote ruil van het één voor het ander (Dobru 1968a: 30). - Etym.: Behalve in de bet. van ‘onbedekt’ m.b.t. het lichaam, wordt b. in AN voor ‘onbedekt’ in andere, ook fig. verbanden, tegenwoordig veel minder gebruikt dan in SN. In het Zeeuws komen wel vele fig. bet. voor (Ghijsen).
— : bloot soldaat (zonder lidw. en mv.), gemeen soldaat. A, B, C, D, E en wie jullie ook mogen volgen, adieu. Suriname was er misschien beter aan toe geweest als jullie te boek stonden als bloot soldaat (WS 11-6-1983). - Etym.: Zie bloot*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bloot ‘naakt; zonder meer’ -> Engels blot ‘ongedekt stuk bij backgammon’; Deens blot ‘naakt; slechts; uitdrukking van wens’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors blott ‘naakt, onbedekt; (bijwoord) slechts’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds blott ‘naakt; slechts’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands bloot ‘naakt’; Papiaments blo (ouder: bloot) ‘naakt; platzak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bloot* naakt 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

897. Onder den blooten hemel,

d.i. in de open lucht. In de middeleeuwen en in de 17de eeuw, evenals nu nog in Vlaanderen, onder den blauwen hemel of onder de blauwe lucht; oorspr. bij onbewolkte lucht, bij helder daglicht, daarna: in de open lucht. Tegen het einde der vorige eeuw schijnt het bijv. naamw. blauw door bloot te zijn vervangen, toen men gevoelde dat het eerste adjectief niet uitdrukte, wat men er mede bedoelde. Zie Tijdschrift IX, 130-134; Ndl. Wdb. II, 2789; 2919 en vgl. op de groene deken (op 't gras), wat te vergelijken is met het hd. bei Mutter Grün schlafen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut