Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blokfluit - (houten fluit zonder kleppen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blokfluit zn. ‘houten fluit zonder kleppen’
Nnl. blokfluit [1933; Tops].
Leenvertaling van Duits Blockflöte ‘blokfluit’ uit ouder Plochflötten, Blockflöten (meervoud) ‘fluiten die uit één stuk gemaakt zijn’ [1619; Praetorius]; reeds Middelnederduits blokfloite, blokpipe ‘fluit die uit één stuk gemaakt is’. Pas later verbindt men het zn. Block met het (houten) blokje dat de buis, op een smalle spleet na, afsluit.
In het Nederlands werd het instrument, dat voor het eerst wordt afgebeeld op een Frans miniatuur uit de 11e eeuw, tot het Interbellum fluit genoemd. In de 20e eeuw beleeft het instrument dankzij de Brit Arnold Dolmetsch een heropleving, en het instrument is sindsdien een volwaardig instrument in de uitvoeringspraktijk van de oude muziek. In de Lage Landen werd de blokfluit iets later populair bij opvoeders, nadat die door de jeugdbewegingen van het nut van het instrument overtuigd waren.
Eerder komt blokfluit al in de betekenis ‘bepaald orgelregister’ [1645; Tops 2000] voor. In de musicologie wordt deze term nog steeds gebruikt voor een orgelregister dat als een blokfluit klinkt; het register is bekender als flauto dolce. Ook in deze betekenis is het woord een leenvertaling uit het Duits (eventueel zelfs van Blockpfeife), waar het sinds de 16e eeuw voorkomt.
Lit.: G. Tops (2000) ‘Deutsch Blockflöte - niederländisch blokfluit. Die sonderbare Geschichte einer zweifachen Lehnübersetzung aus dem Deutschen’, in: Germanistische Mitteilungen 52, 125-133; M. Praetorius (1619) Syntagma Musicum. Band II: De organographia, Wolfenbüttel, 33-35; E. Hunt (1982) De blokfluit en zijn muziek, Aanhangsel II, Utrecht/Antwerpen, 169-175

EWN: blokfluit zn. 'houten fluit zonder kleppen' (1933)
ANTEDATERING: Luit, altviool, blokfluit [1927; AHB 10/11]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blokfluit [muziekinstrument] {1926-1950} zo genoemd naar het houten blokje, dat onder het snavelvormige uiteinde in de buis is gestopt en deze op een smalle spleet na afsluit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

blokfluit s.nw.
Soort houtfluit sonder kleppe wat uit die Middeleeue dateer.
Uit D. blockflöte (al Hoogduits) of Ndl. blokfluit (1926 - 1950), so genoem n.a.v. die houtblokkie wat die een punt afsluit, behalwe vir die gleufie daarin waardeur geblaas word.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blokfluit ‘blaasinstrument’ -> Papiaments blòkflùit ‘blaasinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blokfluit blaasinstrument 1944 [WNT trio]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut