Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bloesem - (bloemem aan boom of struik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bloesem zn. ‘bloemem aan boom of struik’
Mnl. bloeseme, bloesene ‘id.’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Mnd. blosem, blossem; nfri. blossem; oe. blōstm, blōs(t)ma (ne. blossom); met een achtervoegsel *-s-m (zoals in → bliksem, → droesem) gevormd uit pgm. *blō- ‘bloeien’, zie → bloeien; daarnaast met een ander achtervoegsel on. blómstr (nzw. blomster ‘bloem’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bloesem* [bloem waaruit zich later een vrucht ontwikkelt] {bloeseme 1287} afgeleid van bloeien, vgl. bloem1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bloesem znw. m., mnl. bloesem, mnd. blōsem, blossem, oe. blōsma ontstaan uit westgerm. *blō-sman en dus van de stam van bloeien gevormd met het -sman-suffix (evenals bliksem en droesem).

Overgenomen in het gebied van de Mark en de Altmark, waar bluësze bet. bloesem van vruchtbomen en grassen, vgl. Teuchert Sprachreste 216.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloesem znw., mnl. bloesem (-en) m. v. = mnd. blôsem, blossem (v.?), ags. blôsma m. (eng. blossom) “bloesem”. Uit * ƀlô-s-man-, verwant met bloeien en nog nader met ags. blôstm, blôstma m., mhd. bluost v. (nhd., vooral opperdu. blust m. v. o.) “bloesem”. On. blômstr m. “bloesem” is óf van on. blôm o. (naast blômi m., zie bloem) gevormd óf onder invloed hiervan uit *blôstr vervormd. De verlengde basis bhlô-s- ook in lat. flôs “bloem”, gen. flôr-is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bloesem. Mnd. blôsem, blossem is v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bloesem m., Mnl. id. + Ags blósma (Eng. blossom), On. blómstr, daarnevens Mhd. bluost, Nhd. blüte, met ander suffixen van denzelfden wortel als bloem.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bloesem ‘bloem waaruit zich later een vrucht ontwikkelt’ -> Duits dialect Bluße, Bloßen, Bluoße, Blausch, Blüese ‘bloem waaruit zich later een vrucht ontwikkelt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bloesem* bloem waaruit zich later een vrucht ontwikkelt 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut