Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bloem - (uitgebot deel van plant; fijn gezift meel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bloem 1 zn. ‘bloeiend deel van een plant’
Onl. bluome ‘bloem, bloesem’ [ca. 1100; Will.]; mnl. blomen (mv.) ‘bloemen’ [1201-25; CG II, Floyr.], blume ‘bloem’ [1240; Bern.], bloeme ‘bloesem’ en ‘bloemmeel’ [1285; CG II, Rijmb.], der naturen bloeme ‘het beste, het mooiste van de natuur’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], Indie bloeme van siere joghet ‘in de bloei van zijn jeugd’ [1300-25; MNW-R], ook bloem, blome, bloom.
Os. blōmo; ohd. bluoma, bluomo (nhd. Blume); nfri. blom; on. blómi (waaruit me. blome; ne. bloom ‘bloesem’); got. blōma; < pgm. *blōmō-, *blōma-, een afleiding met -m- van de wortel pgm. *blō- ‘bloeien’, zie → bloeien.
Uit een overdrachtelijke betekenis van dit woord is → bloem 2 ‘fijn meel’ ontstaan.
Lit.: R. Beekes (1990) ‘Bloem en blad’, in: Moerdijk e.a. 1990, 375-82

bloem 2 zn. ‘fijn gezift meel’
Mnl. de bloemen rene ... vten corne halen (accusatief ev.) ‘het zuivere meel ... uit het koren halen’ [1285; CG II, Rijmb.], tarwin blomme ‘tarwebloem’ [1351; MNW-P]; vnnl. bloeme ‘fijn meel’, bijv. in ende inde Bloemen ghewentelt [1599; WNT].
Hetzelfde woord als → bloem 1. Uit de betekenis ‘het mooiste deel van de plant’ ontwikkelde zich die van ‘het fijnste, het beste, het puik’, in het Middelnederlands bijv. ook van allen magden bloeme ‘de beste van alle maagden (d.w.z. de Heilige Maagd Maria)’ [1265-70; CG II, Lut.K]; het betekent dan ook ‘het beste of fijnste van het meel’.
Ook in het Frans bestaat fleur de farine ‘bloem’. Aan het Frans ontleende het Engels zowel flower ‘bloeiend deel van een plant’ als flour ‘meel’, die tot in de 19e eeuw beide als flower werden gespeld en nog steeds homofoon zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bloem1* [uitgebot deel van plant] {bloeme 1201-1225} afgeleid van bloeien; de m is het overblijfsel van een i.-e. achtervoegsel dat ook voorkomt in molm bij malen en helm bij helen en dat zelfstandige naamwoorden vormde bij werkwoorden.

bloem2* [fijn gezift meel] {bloeme [bloemmeel] 1265-1270} hier is sprake van een betekenisvernauwing: de bloem van het meel, vgl. frans fleur de farine, engels flour, dat tot begin 19e eeuw flower werd gespeld, welsh blawr.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bloem znw. v., mnl. bloeme naast blomme, os. blōmo, ohd. bluoma v. en bluomo m., on. blōmi, got. blōma is afgeleid van bloeien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloem znw., mnl. bloeme v., ook mnl. nnl. blom(me), met vocaalkorting vóór m (vgl. dommekracht). = ohd. bluoma v. naast bluomo m. (nhd. blume v., dial. m.), os. blômo m. (wsch. ook ags. blôma m. “a mass, lump”), on. blômi m. (waaruit eng. bloom), got. bloma m. “bloem”, in eenige talen ook “bloesem, loof’. Zie bloeien en bloesem.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bloem. Ook ofri. blôma m. ‘bloem’. Owvla (herb.) -blôme in samenst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blom v., met verkorting van den klinker vóór m: vergel. suff. -dom, verdommen (z. bloem).

bloem v., Mnl. bloeme, blomme, Os. blômo + Ohd. bluoma (Mhd. bluome, Nhd. blume), Ags. blóma (Eng. bloom), On. blómi (Zw. blomma, De. blomme), Go. bloma + Lat. flos, florere (= bloeien), de Lat. w. met -s-suff., de Germ. met -m-suff. (gelijk ruim, rus) van. Idg. wrt. bhlo (z. bloeien).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

blom (zn.) bloem; Aajdnederlands bluome <1100>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bloem: van de bloemen (zegswijze), (niet alg.) erg mooi (i.h.b. gezegd van een meisje). Baja*, Solly heet ze, zal hoop ik niet boos op mij geworden zijn. Brada [S, broeder], als je die sma* ziet. Van de bloemen (WS 20-11-1982). - Opm.: Ook zegt men wel eens van de bloemetjes.

blom (de), bloem (gezeefd tarwemeel). Reeds weken van te voren werden aankopen van blom, boter, suiker () enz. gedaan en in ruime hoeveelheden opgeslagen (Dobru 1968a: 36). - Etym.: Oudste vindpl. : de rekening van de brandschatting door Cassard van 1712 (zie Hartsinck 1770: 720). In N veroud. gew., o.m. dial, in Zeeuws (Ghijsen).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

bloem: hoofs. nog in wd. soos bloemis, bloemlesing, origens blom; Ndl. bloem/blom(me), so ook Mnl., Hd. blume, Eng. bloom, hou verb. m. bloei en bloesem, Eng. blossom en Lat. flos (gen. floris); maar die twee vorme het nog lank in Afr. bestaan: vRieb het blom en blommen, Wik (18e eeu) blomtyd en Bur (begin 19e eeu) bloemtyd (Scho TWK/NR 7, 1, p. 30).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bloem (zeg het met -en) (vert. van Engels say it with flowers)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bloem ‘fijn gezift meel’ -> Sranantongo blon ‘fijn gezift meel’; Saramakkaans boón ‘fijn gezift meel’ ; Karaïbisch polimin ‘fijn gezift meel’ .

bloem, bloemetje, bloempje ‘uitgebot deel van plant’ -> Negerhollands bloem ‘uitgebot deel van plant’; Papiaments blòm, blòmchi ‘vagina’; Sranantongo bromki ‘uitgebot deel van plant’; Karaïbisch polomiki ‘uitgebot deel van plant’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † bluminstji ‘bloem waaruit zich later een vrucht ontwikkelt’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Bedankt voor de bloemen [uitspraak] (1985). Met Pasen sprak de paus Johannes Paulus II (1920-2005) tijdens de zegen urbi et orbi jaren steevast zijn waardering uit voor de versiering van het Sint-Pietersplein, waarvoor Nederlandse bloemisten sinds 1985 zorgen. De typerende wijze waarop deze paus in het Nederlands ‘Bedankt voor de bloemen’ uitsprak, is legendarisch. Zijn opvolger, de Duitse paus Benedictus XVI (1927), nam de traditie over. ‘Ik wil mijn hartelijke dank tot uitdrukking brengen voor de vele bloemen uit Nederland’, verklaarde de leider van de Rooms-Katholieke Kerk in vloeiend Nederlands. Paus Franciscus (1936) bedankt niet in het Nederlands.
Ik ween om bloemen in de knop gebroken [gevleugeld woord] (1893). In 1893 publiceert dichter Willem Kloos (1659-1938) het gedicht met de veel geciteerde regels: “Ik ween om bloemen in den knop gebroken / En vóór den uchtend van haar bloei vergaan, / Ik ween om liefde, die niet is ontloken, / En om mijn harte dat niet werd verstaan.” Andere bekende regels van Willem Kloos zijn “De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining” en “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bloem* uitgebot deel van plant 1100 [Willeram]

bloem* fijn gezift meel 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

260. De bloemetjes buiten zetten,

d.w.z. zich door een bloem uitdossen; pret, goede sier maken. Vgl. Kalv. II, 144: Er was geen enkele getrouwde man, die niet eens de blommen buiten zette; Zondagsblad van Het Volk, 8 Nov. 1913, p. 1 k. 2: En als we wisten, dat de patroon niet in huis was, en de zoon in de goede stemming verkeerde om lol te maken, dan gingen we eens goed de blommetjes buiten zetten; Handelsblad, 9 Aug. 1914 (ochtendbl.), p. 3 k. 2: De drift van bejaarde schoonpapa's om de bloemetjes buiten te zetten; Menschenw. 406; 412; Nkr. IV, 22 Mei, p. 1 k; V, 26 Febr., p. 4; IX, 5 Juni, p. 6; 10 Juli, p. 6; Nierstrasz, 75: Zoodat hij bij feestjes onder de jongelui lang niet de minste der broederen was en de bloemetjes nog wel eens durfde buiten zetten; Sprotje II, 21: Heere bewaar ons! giechelde Sien, kijk die d'r blommen 's buiten zetten vandaag. Synonieme uitdrr. zijn: den fietel (viool?) voeren (De Bo, 319); de blauwe schort uitsteken, (bl. 1224); de rooze uitsteken, het roosken uitsteken, op zijn uiterste best aangekleed zijn (bl. 954); den blauwen voorschoot uithangen (Schuerm. 597; Antw. Idiot. 248; Waasch Idiot. 121 b; 710 b); de breeveertien spelen, uithangen of laten waaien (Ndl. Wdb. III, 1206; Hoeufft, 718); den bezem uithangen (in Friesland)W. Dijkstra, 299 b: ‘de biezem hinget dêr ut’, daar valt iets te vegen, er wordt steeds overvloedig opgedischt en ieder wordt er gul onthaald.’ Vgl. ook Breughel, 9, waar uit een huis een bezem steekt, terwijl een vrijend paartje voor eene opening in het dak zit (zie ook Amsterdam in de 17de eeuw, bl. 125); Willems, Oude Vlaemsche Liederen, bl. 512; de bezem steekt ten venstren uit; vgl. het Helmondsche: we hebben (den) bezzem vandaag, de vrouw is uit. Wellicht moet de oorsprong dezer zegswijze gezocht worden in de vroegere gewoonte om een bezem boven de deur eener herberg uit te steken, ten teeken dat er wijn getapt werd; vgl. Wander V, 97: die Vermehrung der Reisenden im 14 und 15 Jahrhundert rief das Bedürfniss guter Gasthöfe hervor. In England wiewohl auch anderwärts wurden die kleinere dieser Häuser einfach durch eine Stange mit einem Kruge, oder durch einen Besen über der Thür bezeichnet. Zie andere verklaringen bij Tuinman I, 36; Van Eijk II, nal. 29; Ndl. Wdb. II, 2452.; den bezem uitsteken (Limburg; zie Welters, 80 en in de 17de eeuw bij Poirters en in de Gew. Weuw. III, 47); bij Halma, 72: Den biesbos uitsteken, se lever trop haut, trancher du grand (Ndl. Wdb. II, 2557); in het eng. to hang out the besom, alle in de bet. pret maken (bij afwezigheid van de huisvrouw).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut