Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bloeien - (in bloei staan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bloeien ww. ‘in bloei staan’
Onl. bloion ‘bloeien’ [10e eeuw; W.Ps.], bluoien, bluoyen, bluoen ‘id.’ [ca. 1100; Will.]; mnl. blujen ‘(beginnen te) bloeien, in bloei staan’ [1240; Bern.], bloeiet (3e pers. ev.) ‘staat in bloei’ [1287; CG II, Nat.Bl.D.].
Os. blōjan; ohd. bluoen (mhd. blüe(je)n; nhd. blühen); ofri. blōia (nfri. bloeie); oe. blōwan (me. blow, ne. blow ‘ontluiken, uitbloeien’); < pgm. *blō- ‘bloeien’, met -j- of -w- als overgangsklank voor de uitgangen.
Verwant met Latijn flōrēre ‘bloeien’, flōs ‘bloem, bloesem’; Iers bláth ‘bloesem’; bij de wortel pie. *bhleh3-. Hierbij ook → bloem 1, → bloesem.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bloeien* [in bloei staan] {oudnederlands bloion 901-1000, middelnederlands blo(e)yen} oudsaksisch blojan, oudhoogduits bluoer, oudfries bloja, oudengels blowan; buiten het germ. latijn florēre [bloeien], oudiers bláth [bloem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bloeien ww., mnl. bloeyen, blôyen, onfrank. blōiōn, os. blōjan, ohd. bluojan, bluoen, ofri. blōya, oe. blōwan ‘bloeien’. — oiers blāth ‘bloesem’, lat. flōs ‘bloem’. — Men stelt de woorden tot de stam *bhlē ‘zwellen’ (zie: blazen en bloed). — Zie verder nog: blad, bloem en bloesem.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloeien ww., mnl. bloeyen, bloyen. = onfr. blôion, ohd. bluojan, bluoen (nhd. blühen), os. blôjan, ofri. blôya, ags. blôwan (eng. to blow) “bloeien”. Vgl. bloem en bloesem. Buiten ’t Germ. vgl. ier. blâth “bloesem”, lat. flôs “bloem”. Wsch. van den idg. wortel bhlê-, bhlô- “zwellen”. Zie blad, waar ook een andere hypothese is meegedeeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bloeien ono.w., Mnl. bloeien, Onfra. blôion, Os. blôjan + Ohd. bluojan (Mhd. blüejen, Nhd. blühen), Ofri. blója, Ags. blówan (Eng. to blow), met suff. ja van wrt. bhlo, synon. en verwant met wrt. bhlā en wrt. bhlē = zwellen (z. blazen, blad, bloem).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

bleuje (ww.) bloeien; Aajdnederlands bloion <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Bloeien, van den Idg. wt. bhlo (verwant met bhla, zie blazen) = zwellen. Bloeien is dus eigenlijk: in omvang toenemen. Afleidingen zijn: bloem (= bloe+ m; eig. blo-man = de bloeiende) en bloesem.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bloeien* in bloei staan 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut