Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bloed- - (zeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bloed zn. ‘rood lichaamsvocht’
Onl. bluode (datief ev.), bluodo (genitief mv.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. bloet [1236; CG I, 23], bloot, bloyt ‘bloed, gelaatskleur, geslacht, familie’.
Os. blōd; ohd. bluot (nhd. Blut); ofri. blōd, oe. blōd (nfri. bloed; ne. blood); on. blóð (nzw. blod); got. blōþ; < pgm. *blōda-.
Het woord komt alleen in het Germaans voor en is van onduidelijke oorsprong. Weinig wrsch. is verwantschap met de groep van → bloeien, of met → blauw. Kluge denkt aan een eufemisme dat zou behoren bij de wortel pie. *bhel ‘zwellen’. Het zou dan datgene aanduiden, wat het lichaam strak houdt en bij verwondingen wegstroomt. Maar gezien de geïsoleerde positie in het Germaans lijkt dit niet overtuigend. Hoogstwrsch. gaat het om een niet-Indo-Europees substraatwoord.
bloed- voorv. ‘zeer’. Nnl. in bloed-armen ‘zeer arme lieden’ [1730-39; WNT bloedarm], bloedjong ‘zeer jong en pril’ [1939; WNT Aanv.], bloedheet ‘zeer warm’ [1949; WNT Aanv.], bloedlink ‘zeer gevaarlijk’ [1963; WNT Aanv.], etc. Misschien ontleend aan Duits blut-, dat vanaf de Middelhoogduitse periode als voorvoegsel bij vele bijv. naamwoorden gebruikt werd. Het voorvoegsel is wrsch. opgekomen naar aanleiding van woorden als bloedrood, bijv. in sijn uel es al bloet roet ‘zijn vel is helemaal bloedrood, zeer rood’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].

EWN: ♦ bloed- voorv. 'zeer' (1730-39)
ANTEDATERING: vnnl. Die is goetedel, maer bloetarm [1560; Franck, 232r]
Later: een bloedjong onschuldig mens [1823; Clauren, 217] (EWN: 1939); bloedheet [1904; Gids 4, 480] (EWN: 1949); ... is het ... weer "bloedlink" geworden [1948; Zierikzeesche nieuwsbode (KZ) 22/12] (EWN: 1963)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bloed-* [versterkend voorvoegsel met de betekenis ‘zeer, in hoge mate’] {in bv. bloedarm 1898} is ontstaan naar analogie van bv. bloednaakt [spiernaakt], in vergelijkende samenstellingen als bloedrood, bloedwarm, waarin bloed de oorspr. betekenis had, maar gemakkelijk kon worden tot ‘in hoge mate’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloedarm bnw. (zeer arm). Deze bet. van bloed- ontwikkelde zich ’t eerst in bloedrood. In het Du. is blut in dergel. bet. nog gewoner.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bloedarm, bloedjong, bloedvreemd bijv., superlatieven, zijn analogievormen van bloedrood, dat uit de bet. zoo rood als bloed een superlat. kracht ontwikkelde, dus zeer rood, uiterst rood, en alzoo aanleiding gaf tot de opvatting: bloed = zeer, uiterst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

bloedarm b.nw.
1. Baie arm. 2. Arm aan bloed.
In bet. 1 uit Ndl. bloedarm (1730 - 1739) of in bet. 1 en 2 uit D. blutarm. Ndl. bloedarm is 'n samestelling van bloed en arm, met bloed as intensiveerder wat n.a.v. vroeër woorde soos bloednaakt 'poedelnaak' en bloedrood 'bloedrooi' kon ontwikkel het.
D. blutarm is 'n samestelling van blut en arm, met blut in die bet. 'lewe', dus beteken blutarm oorspr. 'so arm dat jy amper nie lewe nie'.
Ndl. bloedarm (20ste eeu in bet. 2).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

bloed- (als eerste lid van een samengest. zn.), bloedeigen (bij verwantschap). Frans, is ik, je eigen, eigen bloedzuster, beledig je zo? (Cairo 1976: 24).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bloedheet* zeer warm 1949 [Aanv WNT]

bloedmooi* zeer mooi 1989 [Hofkamp&Westerman]

bloedrood* zeer rood 1504 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

bloedgang: met een —, informeel voor ‘erg snel’. Sinds de jaren tachtig.

Als er een andere bondscoach komt, denk ik dat Richard met een bloedgang weer in Oranje wil. (Nieuwe Revu, 03/12/97)

bloedvorm: in — zijn, in een superconditie, erg in vorm zijn. Informele uitdrukking.

Voorlopig is Eddy in een bloedvorm... (Bert Hiddema: Dubbele mandekking, 1988)
Ik was toen echt in bloedvorm. Top, top, top. Alles lukte. (Nieuwe Revu, 23/04/97)
Hosted by Meertens Instituut