Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blo - (vreesachtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blood bn. ‘verlegen, laf’
Mnl. blode ‘laf, bleu; vreesachtig, angstig’ [1240; Bern.], bloot.
Os. blōthi; ohd. blōdi (nhd. blöd(e) ‘dom, idioot’); nfri. blea (met het zn. bleaman ‘bloodaard’) naast bleu; oe. blēað (me. blethe); on. blauðr ‘zacht’; got. blauþ- in blauþjan (ww.) ‘krachteloos maken’; < pgm. *blauþi- ‘zwak’.
Mogelijk verwant met Grieks phlaéros ‘zwak, minderwaardig’, wat een wortel pie. *bhleh2u ‘zwak’ zou vereisen. Misschien hangt het woord samen met → bloot.
Een nevenvorm met umlaut is → bleu 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blo*, blode [vreesachtig] {blode [laf, bedeesd, bleu] 1201-1250} oudsaksisch blothi [bang, laf], oudhoogduits blodi [laf, bang], oudnoors blauðr, oudengels bleadt, gotisch blauþjan [krachteloos maken]; mogelijk verwant met grieks phlauros [onbelangrijk, slecht]. We vinden blo eigenlijk alleen nog maar in de uitdrukking beter blo Jan, dan dô Jan [beter angstig of voorzichtig dan dood].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blood of bloo, bnw., mnl. blôde, bloot ‘laf, bang, schuchter’, os. blōthi ‘bang, laf’, ohd. blōdi ‘laf’, grondvorm *blauþia naast *blauþu in oe. blēað, on. blauðr, vgl. got. blauþjan ‘krachteloosmaken’. — Zie: bleu.

Gewoonlijk verbindt men deze woorden met gr. phlauros, phaulos (< *phlaulos) ‘onbelangrijk, slecht’ (IEW 159). — Minder waarschijnlijk is de vergelijking met oi. mlayati ‘verwelken’, gr. bláks ‘slap, verwekelijkt’ (Wood MLN 15, 1900, 326). Hogerop is verwantschap met bloot aannemelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bloo(d) bnw. Zelden gebruikt, ’t meest nog in de afl. bloodaard znw., met suffix -aard. Bleu komt meer voor. Uit mnl. blôde, bloot “laf, bang, schuchter” = ohd. blôdi (nhd. blöde), os. blôthi “bang, laf’, uit *blauþia-. Hiernaast ags. blêað, on. blauðr “id.”, got. *blauþus, waarvan blauþjan “krachteloos maken”. In ’t Oergerm. zal dit bnw. wel een u-stam geweest zijn. Men heeft vergeleken gr. phlaúros “gering, slecht, waardeloos”; ook serv. blútiti “ongerijmd, ongepast spreken” zou nog hierbij kunnen hooren (idg. basis bhlau-t-): onzeker. Waarschijnlijker is een idg. basis ml-u-, verwant met melâ- (zie blaag). Vgl. dan vooral av. mruta- “zwak”, mrûra- “vernielend, verderfelijk” (ook gr. aublús “stomp, stompzinnig”?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bloode bijv., Mnl. bloode, bloot, Os. blôthi + Ohd. blôdi (Mhd. blœ̂de, Nhd. blöde), Ags. bléađ, On. blauđr, Go. blauϸ-jan (= afschaffen): niet buiten het Germ. Ging in ’t Rom. over: Fr. éblouir.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blo II [+]: “bang, lafhartig”, alleen nog in arg. uitdr. liewer– Jan as do Jan (v. ook do); Ndl. blood, blo/blode (Mnl. blode), “bang”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blo* vreesachtig 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut