Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blits - (zeer modern)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blits bn. ‘zeer modern’
Nnl. als bn.: blitz, later blits ‘veel effect makend, modieus’, bijv. in blitze stad (over Amsterdam) [1966; Reinsma 1975], lekker blits [1967; Reinsma 1975], nu verouderd; als zn. alleen in de uitdrukking de blits maken ‘indruk maken’, zoals programmamakers ... denken ... ‘de blitz’ te maken [1966; Reinsma 1967].
Afgeleid van het Duitse zn. Blitz ‘bliksem’. Hierbij hebben wrsch. niet alleen samenstellingen als blitzsauber ‘brandschoon’, blitzblau ‘helblauw’ enz. een rol gespeeld, maar ook de uitdrukking einschlagen wie ein Blitz ‘inslaan als een bom; groot opzien baren’. Het Duitse woord gaat terug op Middelhoogduits blitze, blicze ‘bliksem’, zie → bliksem.
blitskikker zn. ‘modieus geklede jongere’ [1975; Reinsma 1975].
Lit.: Salleveldt 1978; Sijs 1996, 262-263

EWN: ♦ blitskikker zn. 'modieus geklede jongere' (1975)
ANTEDATERING: eerst "The Blitzkikkers" (naam van band) [1966; PZC 5/3]
Later: Gewoon Eigen Huis Mensen, dus Blitzkikkers [1971; Revue 2/6] (EWN: 1975)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blits [naar de laatste mode] {1967} < hoogduits Blitz [bliksem].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1blits s.nw., ww.
1. Weerlig (1weerlig, 2weerlig). 2. Flikkering, of flikker.
As s.nw. uit gewestelike Ndl. (Kerkraads) blits. Die ww. het uit die s.nw. in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880), Mansvelt (1884) en Du Toit (1908).
Ndl. blits uit D. Blitz, van dieselfde wortel as Ndl. bliksem, maar met 'n ander agterv.

2blits s.nw.
Witblits.
Verkorting van witblits.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm blitz (1977).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blits: “bliksem, weerlig”, dikw. ook geassos. m. donder, vandaar bastvl. soos bliksems, blikskaters/-skottels, donders, duiwels; hou verb. m. blik I, Ndl. en Afr. bliksem (Mnl. blixem(e)/blexem(e) naas blissem/blessem/blessen), Hd. blitz, Pd. blets/blits, Fri. blits, wu. wsk. via Ned. matroset. die vorm blis in Ndl. deurgedring het (WNT II 2865); v. ook Kloe HGA 35.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

blits (Duits Blitz); (de -- maken); (er -- uitzien)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blits naar de laatste mode 1966 [Aanv WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut