Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blindelings - (bijwoord van hoedanigheid: zonder te kijken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blind bn. ‘niet in staat te zien’
Mnl. blent ‘blind’ [1240; Bern.], blint ‘blind’ [1250; CG II, Gen.rec.].
Os. blind; ohd. blint (nhd. blind); ofri. blind (nfri. blyn); oe. blind (ne. blind); on. blindr (nzw. blind); got. blinds; < pgm. *blinda- < *blenda-. Daarnaast met andere ablaut causatieve werkwoorden met als betekenis ‘blind maken, verblinden’: mnl. blenden (zie ook → verblinden); mnd. blenden (waaruit nzw. blända); ohd. blenten (nhd. blenden); ofri. blenda; oe. blendan; < pgm. *bland-jan-; maar ook zonder umlaut (wellicht onder invloed van blind), mnl., mnd. blinden; ofri. blindia; oe. -blindian (ne. blind ‘verblinden’); got. -blindjan. Hierbij behoren eveneens, met de nultrap (pgm. *blund-), me. blondren ‘verwarren, blind handelen’ (ne. blunder ‘(ver)knoeien’, zie → blunder); on. blundr ‘sluimering’, blunda ‘de ogen sluiten’ (nzw. blunda ‘de ogen sluiten’).
Verwant met Litouws blandùs ‘troebel, duister’, Lets blendu ‘ik zie onduidelijk’; bij de wortel pie. *bhlendh- ‘vaag, vaal, verward; onduidelijk schemeren, ondoorzichtig zijn’. Gezien de beperking tot de Germaanse en Baltische taalgroepen is het woord wrsch. niet van Indo-Europese herkomst maar een substraatwoord.
In het 17e-eeuwse Nederlands had blind ook de betekenissen ‘verblind, onzichtbaar, zonder aanzien des persoons, dol’ (Sterkenburg 1973); sommige daarvan bestaan nog steeds: blinde woede ‘dolle woede’, de blinde werking der klankwetten ‘zonder aanzien van de betekenis, slechts lettend op de klankomgeving’.
blinderen ww. ‘onzichtbaar maken; kogelvrij maken’. Nnl. geblindeerd worden ‘kogelvrij gemaakt worden; aan het gezicht onttrokken worden’ [1842; WNT werpen III]; eerder al in de afleiding blindeering ‘camouflage’ [1818; WNT kanonnier]. Ontleend aan Frans blinder [1697] < Duits blenden ‘blind maken, verblinden’. ♦ blind(e) zn. ‘(venster)luik’. Vnnl. blinde ‘vensterluik’ [1643; Claes 1997]. Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord blinden ‘blind, dicht maken’. ♦ blindelings bw. ‘zonder te kijken’. Vnnl. blindelinckx ‘met gesloten ogen’ [1599; Kil.]. Met bijwoordelijke → -s afgeleid van het bn. blindelinge ‘met gesloten ogen, geblinddoekt’ [1516; MNHWS].

EWN: blind bn. 'niet in staat te zien' (1240)
ANTEDATERING: onl. blint als eerste deel van het toponiem Blintheim (onbekende plaats) [wrsch. 901-50, kopie 1150-58; ONW]
EWN: ♦ blinderen ww. 'onzichtbaar maken; kogelvrij maken' (1842)
ANTEDATERING: eerst de afleiding Blindeering [1814; Dagblad der provincie Braband (KB) 9/8]
Later: dan onze gemetselde geblindeerde batterijen [1827; Merkes 2, 151] (EWN: 1842)
EWN: ♦ blind(e) zn. '(venster)luik' (1643)
ANTEDATERING: eerst blinde 'soort zeil' als in: onse fock, groot marszeyl ende blynde (drie zeilen) [1597; De Jonge 2, 367]
EWN: ♦ blindelings bw. 'zonder te kijken' (1599)
ANTEDATERING: blindelincks [1588; iWNT]
Eerder al: mnl. blindelinghe 'met gesloten ogen' [1467-80 iMNW achterdeinsen] (EWN: 1516)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blindelings* [zonder te zien] {blindelinckx 1562} met het bijwoorden vormende achtervoegsel s gevormd van middelnederlands blindelinge [geblinddoekt, blindelings].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blindelings ‘zonder te zien’ -> Zweeds † blindlings ‘onvoorwaardelijk’ (uit Nederlands of Duits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blindelings* bijwoord van hoedanigheid: zonder te kijken 1562 [Naembouck]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut