Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blind - (niet kunnende zien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blind bn. ‘niet in staat te zien’
Mnl. blent ‘blind’ [1240; Bern.], blint ‘blind’ [1250; CG II, Gen.rec.].
Os. blind; ohd. blint (nhd. blind); ofri. blind (nfri. blyn); oe. blind (ne. blind); on. blindr (nzw. blind); got. blinds; < pgm. *blinda- < *blenda-. Daarnaast met andere ablaut causatieve werkwoorden met als betekenis ‘blind maken, verblinden’: mnl. blenden (zie ook → verblinden); mnd. blenden (waaruit nzw. blända); ohd. blenten (nhd. blenden); ofri. blenda; oe. blendan; < pgm. *bland-jan-; maar ook zonder umlaut (wellicht onder invloed van blind), mnl., mnd. blinden; ofri. blindia; oe. -blindian (ne. blind ‘verblinden’); got. -blindjan. Hierbij behoren eveneens, met de nultrap (pgm. *blund-), me. blondren ‘verwarren, blind handelen’ (ne. blunder ‘(ver)knoeien’, zie → blunder); on. blundr ‘sluimering’, blunda ‘de ogen sluiten’ (nzw. blunda ‘de ogen sluiten’).
Verwant met Litouws blandùs ‘troebel, duister’, Lets blendu ‘ik zie onduidelijk’; bij de wortel pie. *bhlendh- ‘vaag, vaal, verward; onduidelijk schemeren, ondoorzichtig zijn’. Gezien de beperking tot de Germaanse en Baltische taalgroepen is het woord wrsch. niet van Indo-Europese herkomst maar een substraatwoord.
In het 17e-eeuwse Nederlands had blind ook de betekenissen ‘verblind, onzichtbaar, zonder aanzien des persoons, dol’ (Sterkenburg 1973); sommige daarvan bestaan nog steeds: blinde woede ‘dolle woede’, de blinde werking der klankwetten ‘zonder aanzien van de betekenis, slechts lettend op de klankomgeving’.
blinderen ww. ‘onzichtbaar maken; kogelvrij maken’. Nnl. geblindeerd worden ‘kogelvrij gemaakt worden; aan het gezicht onttrokken worden’ [1842; WNT werpen III]; eerder al in de afleiding blindeering ‘camouflage’ [1818; WNT kanonnier]. Ontleend aan Frans blinder [1697] < Duits blenden ‘blind maken, verblinden’. ♦ blind(e) zn. ‘(venster)luik’. Vnnl. blinde ‘vensterluik’ [1643; Claes 1997]. Afleiding van het Middelnederlandse werkwoord blinden ‘blind, dicht maken’. ♦ blindelings bw. ‘zonder te kijken’. Vnnl. blindelinckx ‘met gesloten ogen’ [1599; Kil.]. Met bijwoordelijke → -s afgeleid van het bn. blindelinge ‘met gesloten ogen, geblinddoekt’ [1516; MNHWS].

EWN: blind bn. 'niet in staat te zien' (1240)
ANTEDATERING: onl. blint als eerste deel van het toponiem Blintheim (onbekende plaats) [wrsch. 901-50, kopie 1150-58; ONW]
EWN: ♦ blinderen ww. 'onzichtbaar maken; kogelvrij maken' (1842)
ANTEDATERING: eerst de afleiding Blindeering [1814; Dagblad der provincie Braband (KB) 9/8]
Later: dan onze gemetselde geblindeerde batterijen [1827; Merkes 2, 151] (EWN: 1842)
EWN: ♦ blind(e) zn. '(venster)luik' (1643)
ANTEDATERING: eerst blinde 'soort zeil' als in: onse fock, groot marszeyl ende blynde (drie zeilen) [1597; De Jonge 2, 367]
EWN: ♦ blindelings bw. 'zonder te kijken' (1599)
ANTEDATERING: blindelincks [1588; iWNT]
Eerder al: mnl. blindelinghe 'met gesloten ogen' [1467-80 iMNW achterdeinsen] (EWN: 1516)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blind1* [niet kunnende zien] {blint 1201-1250} oudhoogduits blint, oudsaksisch, oudfries, oudengels blind, oudnoors blindr, gotisch blinds, hierbij het causatief middelnederlands blenden, blinden [blind maken], oudhoogduits blenten, oudfries blenda, oudengels blendan; buiten het germ. litouws blandyti (akis) [(de ogen) neerslaan], lets blendu [ik zie onduidelijk], oudkerkslavisch blęsti [dwalen], verwant met middelnederlands blanden [mengen], engels to blend; de i.-e. stam zal hebben betekend ‘verward, troebel’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blind 1 bnw., mnl. blint ‘blind, ondoorschijnend’, ohd. blint, os. ofri. oe. blind, on. blindr, got. blinds. Naast elkaar vinden wij de betekenissen ‘blind’ en ‘ondoorschijnend’. Daarnaast staat het factitief *blandian in mnl. blenden, mnd. blenden, ohd. blenten, ofri. blenda, oe. blendan ‘blind maken’ (got. gablindjan is van blinds gevormd!). Andere ablautstrappen zijn: *bland in os. blandan, ohd. blantan, oe. blandan, on. blanda, got. blandan ‘vermengen’ en *blund in on. blunda ‘de ogen sluiten, met de ogen blikkeren’ (waaruit me. blundern ‘in den blinde handelen’; vgl. ne. blunder), waarnaast blundr ‘slaap’. — osl. blędą blęsti ‘in den blinde gaan’, lit. blendžiuòs, ‘donker worden’, blandaũs, blandýtis ‘de ogen neerslaan’, ‘zich schamen’, lett. blendu ‘zie onduidelijk’ (IEW 157).

Pokorny geeft als bet. van de idg. wortel. *bhlendh op ‘vaal, roodachtig; onduidelijk schemeren; dof, ondoorzichtig zijn’ en vermoedt dat zij een afl. is van *bhel, waarvoor zie: blijken. Dan hoort hier ook blond toe. De betekenis van blind zou dan eig. zijn ‘onduidelijk kunnen zien’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] blind I. Deze woordgroep misschien met lett. maldît bij ier. mellaim enz. (zie mal II), waarbij mogelijk nog gr. amblakískō “ik mis, misdoe”, av. mairya- “bedrieglijk, gemeen”.

blind I bnw., mnl. blint (d) “blind, ondoorschijnend” (en overdrachtelijk). = ohd. blint (nhd. blind), os. ofri. ags. (eng.) blind, on. blindr, got. blinds “blind”, in sommige talen ook “donker, ondoorschijnend” en in verschillende overdracht. bett. Hierbij een ablautend factitivum germ. *blanðianan (vgl. dopen naast diep), mnl. blenden, ohd. blenten (nhd. blenden), mnd. blenden, ofri. blenda, ags. blendan “blind maken”. Got. gablindjan “id.” komt direct van blinda-, evenzoo met ander formans ofri. blindia, ags. forblindian “id.”. Mnl. mnd. (ver)blinden (nnl. verblinden) kan ook een jongere vervorming van blenden naar blind zijn; dial. ontstond i vóór nd ook klankwettig uit e. Schwundstufe hebben on. blundr m. “sluimering”, blunda “de oogen sluiten”, meng. blondren “verwarren, in den blinde handelen”, eng. to blunder “een bok schieten”. Niettegenstaande de afwijkende bet. is ook mnl. blanden, ohd. blantan, os. ags. blandan, on. blanda, got. blandan “mengen” verwant. De oorspr. beteekenissfeer van den idg. wortel zal wezen “vaag, verward, duister zijn”. Buiten ’t Germ. vgl. obg. blędą. blęsti “dwalen, porneíeinblądŭporneía”, lit. blį́sta, blį́sti “donker worden”, blandýti akìs “de oogen sluiten”. Hoogerop heeft men o.a. aan verwantschap met gr. mélas ”zwarť (zie blauw) gedacht. Dit is niet wsch. Wel kan de idg. anlaut ml- geweest zijn, maar dan is eer lett. maldît “dwalen” verwant. Zie nog blond.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blind 3 o. (zeil), + Hgd. blinde, hetzelfde woord als blind 1.

blind 1 bijv.(niet ziende), Mnl. blint, Os. blind + Ohd. blint (Mhd. en Nhd. blind), Ags. blind (Eng. id.). Ofri. blind, On. blindr (Zw. en De. blind), Go. blinds + Lit. blendżiůs, blesti (= donker worden), Lett. blendu (= ik zie niet duidelijk), Oslav. blędą = dwalen: Idg. wrt. blendh (z. blanden en blond).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

blind (bn.) blind; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) blind, Vreugmiddelnederlands blind <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

blinding s.nw.
Skerm of luik voor 'n venster of glasdeur om lig uit te sluit.
Afleiding met -ing van Ndl. blinde, 'n wisselvorm van blind (1658), 'n afleiding van die ww. blinden 'blind maak'. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding blindings.

blinder s.nw.
1. Blinding. 2. Klip of rots onder die wateroppervlak. 3. (gholf) Stand op die setperk waar een speler se bal 'n ander se pad na die putjie blokkeer.
In bet. 1 'n afleiding met -er van Ndl. blinde, 'n wisselvorm van blind (1658), wat wsk. verband hou met die ww. blinden 'die oë bedek, iets onsigbaar maak'. Bet. 2 en 3 het in Afr. self ontwikkel, in bet. 2 so genoem wsk. omdat sodanige klip of rots uit die oog lê en dus nie gesien kan word nie, en in bet. 3, wsk. onder invloed van Eng. blinder ''n struikelblok wat helder oordeel of insig belemmer', so genoem omdat die bal wat 'n ander bal op 'n setperk blokkeer veroorsaak dat die speler nie die putjie behoorlik kan 'sien' nie.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Ziende blind en horende doof, met een goed gezichtsvermogen en gehoor gezegend, maar niet in staat of van zins het wezenlijke te onderscheiden. Ook wordt de verbinding in omgekeerde volgorde of met een van beide delen geciteerd.

Jezus spreekt tot de mensen in gelijkenissen 'omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen' (NBV). Hier past de NBV zich aan bij het moderne taalgebruik; andere vertalingen hebben vrijwel allemaal 'ziende niet zien, en horende niet horen' e.d. De hierboven gegeven betekenis geldt niet voor het onderstaande citaat van Wolkers waar de spreker bedoelt dat hij wat hij ziet en hoort niet zal doorvertellen. Een ongetwijfeld opzettelijke verwisseling vinden we bij Boon: 'Is hij nu ziende doof en horende blind geworden, dat hij niet opmerkt dat het hoofdmotief bijlange niet die 1 mei is?' (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 194).

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 13:13. Daer omme spreke ic tot hen door gelikenisse, want met sienden oogen en sien si niet, ende met hoorenden ooren en hooren si niet. (Statenvertaling (1637): om dat sy siende niet en sien, ende hoorende niet en hooren, noch oock verstaen.)
Hiermede verklaar ik, Leendert Hendrikus Simons, geboren op 26 oktober 1925 te Rijswijk, dat ik alles wat ik hier hoor of zie als een geheim in het graf mee zal nemen. Dat ik ziende blind en horende doof zal zijn tot aan mijn laatste ademtocht. (J. Wolkers, Alle verhalen, 1981, p. 353)
Het meest verontrustende was dat de regering vooraf tal van negatieve signalen had ontvangen. Maar wij waren horende doof en ziende blind. (NRC, feb. 1995)
Hij zag haar gezicht alsof hij het voor $t eerst zag, het was hard en koud, zonder de geringste liefde voor hem. Ze zei: Heb je $t eindelijk gezien, het is anders makkelijker om ziende blind te zijn... . (A. Blaman, Overdag en andere verhalen, 1957, p. 109)

De lamme leidt de blinde, twee hulpbehoevenden helpen elkaar zo goed en zo kwaad als het gaat.

'Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil?' (NBV). Dit is de retorische vraag van Jezus ter introductie van de gelijkenis van de balk en de splinter in Lucas 6:39. De zegswijze hierboven wijkt hiervan af in vorm en betekenis, en bijbelse herkomst is dan ook niet met zekerheid vast te stellen.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 108, 20-21. Mar alse de blinde den blinden leidt, so uallense beide in den putte.
'We zijn maar $n paar zielige mensen, zo met zijn tweeën,' zei ze constaterend, 'de lamme die de blinde leidt...'. (M. Dendermonde, De dagen zijn geteld, 1973 (1955), p. 87)
Als ik uitga met Norbert Elias die nu achtentachtig is, weinig hoort en nog minder ziet, zijn we net de lamme en de blinde zodat je niet ziet wie van ons wie het meeste nodig heeft om in het restaurant bij het gewenste tafeltje te geraken. (R. Rubinstein, 1986 (1985), p. 91)

Met blindheid slaan, blind maken; (fig.) met gebrek aan inzicht treffen.

In Deuteronomium wordt duidelijk gemaakt, dat, indien het volk niet naar zijn God luistert, het vervloekt zal worden en door vreselijke rampen getroffen. In de opsomming van deze rampen komt ook het slaan of treffen met blindheid in de zin van 'wegnemen van inzicht' voor. Andere passages, Genesis 19:11 en Zacharia 4:4, betreffen fysieke blindheid.

Statenvertaling (1637), Deuteronomium 28:28. De HEERE sal u slaen met onsinnigheyt, ende met blintheyt, ende met verbaestheyt des herten.
Als Bomhoff schrijft dat 'wij wellicht van de Chinese traditie kunnen leren' dan moet hij wel geslagen zijn met blindheid. (NRC, jan. 1994)
Het dier [...] / dat beter ziet wanneer het met blindheid geslagen is. (H. Andreus, Verzamelde gedichten, 1983 (Moderne ballade van een uit de lucht gevallen geliefde, 1958), p. 422)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

blind. De bastaardvloek gans blind, die alleen in de 17de eeuw voorkomt, is een substitutievloek van gans kruis ‘bij het Kruis van God’. In plaats van kruis gebruikte men kruik en vervolgens allerlei andere welluidende plaatsvervangers. Misschien is het voor de hand liggender in blind een verbastering te zien van bloed. → Maupie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blind ‘niet kunnende zien’ ->? Duits dialect Blinn ‘vensterluik’; Negerhollands blind, blin, blen ‘niet kunnende zien’; Berbice-Nederlands blende ‘niet kunnende zien’; Sranantongo breni (ouder: blinde, blinni) ‘niet kunnende zien; verblinden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blind* niet kunnende zien 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

254. Zoo blind als een mol,

of, sedert de 17de eeuw, mol(le)blind (zie nog Antw. Idiot. 1904; bij Brederoo IV, 34: mollich blind). De volksmeening, als zou de mol blind zijn, komt bij ons voor bij Maerlant, Nat. Bl. II, 3655:

 Talpa dats in Vlaemsche een mol,
 Die onder daerde maect sijn hol,
 Ende es ene blinde beesteVgl. ook Sart. I, 4, 8: ‘Soo blint als eeu kaeu (kraai). Nostrates caecitatem tribuunt monedulae, non quod vere caeca sit, sed quod parem circumspecta’..

Ook in het Grieksch τυφλοτερος ασπαλακος (Otto, 340)Het is mogelijk dat wij hier moeten denken aan de blinde mol, die in Zuid-Europa voorkomt: bij dit dier overdekt de huid het oog zoo, dat het niet meer te zien is (Ndl. Wdb. IX, 1015.; hd. so blind als ein Maulwurff (verouderd); eng. as blind as a mole; fr. il ne voit pas plus clair qu'une taupe. Zie Volkskunde XXII, 62, waar medegedeeld wordt hoe de sage de blindheid van den mol verklaart; Ndl. Wdb. IX, 1015; 1017; Eckart, 54: he is so blind as'n Mull.

255. In het land der blinden is éénoog koning.

‘Dat is, onder onwetende munt als wat groots uit, die eenige wetenschap heeft’ (Tuinman I, 364). Reeds in het Grieksch: εν τοις τοποις των τυφλων γλαμων βασιλευει; εν τυφλων πολει γλαμυρος (leepoog) βασιλευει (Schol. Hom. Ω 192); in het Latijn: monoculus inter caecos rexWander I, 404.. Bij ons in de 16de eeuw voorkomend; vgl. Sart. II, 3, 66: De Scheele is een Koningh onder de Blinde, in 't Lant der Blinden is Koppen een-oogh Koning (zoo ook III, 5, 74). Vgl. ook De Brune, 153; Huygens VI, 170:

 In 't Huys daer de blinde woont
 Werdt de slimste eerst gekroontVertaling van het Portugeesche: en casa de cego ô torto he Rey. Bij Jan Vos, Klucht v. Oene, bl. 261: In et schip van de blinden is ienoog stuurman..

Zie verder Bebel, 226: inter caecos unoculus rex est; Erasmus XCVI: inter caecos regnat strabus; Harreb. I, 92; III, 131; 398; Ndl. Wdb. II, 2855; fr. au pays (ou au royaume) des aveugles, les borgnes sont rois; hd. bei den Blinden ist der Einäugige König; eng. in the kingdom of the blind, one-eyed men are kings.

1209. Men kan niet weten hoe eene koe een haas vangt,

d.w.z. men kan niet weten, hoe iets heel onwaarschijnlijks toch gebeurt; hoe een dwaze poging, aan wier slagen men twijfelt, toch gelukt. De oudste plaats, waar deze spreekwijze staat opgeteekend, is Campen, 63: mislick waer een Koe een Haese vangt (zie ook De Bo, 547), dat hetzelfde beteekent als de tegenwoordige spreekwijze, en te vergelijken is met: een blint man scoot een quackele (Prov. Comm. 343) of een blint man schiet somtyts wel een craye (Servilius, 35*; Idinau, 80; Taalgids V, 168). Zie verder Westerbaen I, 411: Oock is 't mee al waer bevonden, dat een haes voor snelle honden afgeloopen vrij en los, is gevangen van een os; Hooft, Schijnh. 407: 't Is doch wel geschiedt dat een koe een haes vingAls bewijs dat het inderdaad wel eens gebeurt, diene het volgende bericht, voorkomende in Het Nieuws van den Dag, 6 Oct. 1898, 2de blad, blz. 6:
Men kan nooit weten hoe een koe nog eens een haas vangt.
In een perceel weiland te Tjerkwerd, bij Workum, is het gebeurd. Daar heeft, naar de Ned. Jager meldt, een koe van den landbouwer S. Ketelaar een haas gevangen. Het dier werd door het rund in het leger verrast, kreeg een fermen tik met een der hoeven en werd vervolgens op de horens genomen. Toen bemerkte de knecht des landbouwers de vreemde jacht en haastte zich het haasje prijs te verklaren.
; Focquenbr. Eneas, 83, vs. 8: Zoo vingh de koe een haas; bij Coster, 26, vs. 509 lezen we: Mogelijck of hy een Koe voor een Haes vangt, dat voor eene verbastering moet worden gehouden. In Zuid-Nederland zegt men thans nog: wie weet hoe een koe een haas vangt, syn. van wie weet hoe een advocaat in den hemel komt, voor dat kan misschien gebeuren (zie Joos, 181; 82); Tuerlinckx, 332: een koe kan wel een haas vangen, d.i. een blinde hen vindt soms een korrel; in Limb. men weet niet hoe een peerd nen haas kan vangen ('t Daghet X, 183); Antw. Idiot. 523: Ge kunt niet weten hoedat 'en koei 'nen haas vangt; Waasch Idiot. 200 a: Ge kunt niet weten hoe een boer 'nen haas vangt, al ware 't op 'nen eegtand; vgl. Harreb. III, 211 en het Friesch: de bline (de blinde) het in hazze fongen; bitelje as de kou in hazze fangt (nooit betalen) en in kou kin wol in hazze fange (as hja der mar op wâddet (trapt) of, zooals ook in het stadsfri. gehoord wordt: in een nauw straatsje). Ook in het Provençaalsch der 12de eeuw komt reeds voor: Ik ben de man, die den wind verzamelt en die met de koe een haas vangt; in 't Grieksch is ook bekend: hij jaagt hazen met een os of jaagt op hazen met een koeZie Dr. H.C. Hesseling in Gids, 1902, 4de stuk, bl. 102.; het eng. a cow may catch a hare; fr. une vache prend bien un lièvre (verouderd; vgl. Le Roux de Lincy I, 204).

1394. Liefde is blind.

Deze gedachte, dat men geen fouten of gebreken ziet in iemand, die(n) men lief heeft, vindt men reeds bij Plato: Τυφλουται γαρ περι το φιλουμενον ο φιλων;, hij die lief heeft wordt blind met betrekking tot het voorwerp zijner liefde. De Romeinen zeiden amens amans, een verliefde is zijn verstand kwijt (Plaut. Merc. 82; Ter. Andr. 218) of nemo in amore videt (Prop. 2, 14, 18; Hor. Sat. 1, 3, 38); mlat. cecat amor mentes ac interdum sapientes; omnis amor cecus: non est amor arbiter equus (Werner, 8; 66). In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; zie Wander III, 135; 151 en vgl. het mnl. Minne is blint (zie o.a. Maerlant, Wap. Mart. II, 314; Kaetspel, 42); Goedthals, 23: Die minne is blendt, sy gaet daer mense nyet en sendt, amour aveugle raison; Brederoo I, 311; Cats I, 466:

Die van liefde zijn gesteken
En sien noch vlecken noch gebreken.

C. Wildsch. II, bl. 216 en verder de door Harreb. II, bladz. 27 opgegeven bronnen; Villiers, 73; voor Zuid-Nederland zie Volkskunde XXI, 156; Antw. Idiot. 762: De liefde is blind, zee de boer, en hij kuste zij(n) kalf op zij(n) gat; Teirl, II, 212; Waasch Idiot. 404: De liefde is blend, ze zit in de oogen eerst; fri. ljeafde is blyn; De Cock2, 110; 285.

2651. Ziende blind zijn,

d.w.z. willens en wetens blind zijn voor iets; ook iets wat duidelijk zichtbaar is niet zien. In de 16de eeuw komt dit gezegde voor bij Froissart I, 194: Sij mosten al siende blint wesen ende hoir hoofden wat lage houden, want ten was genen tijt doe vörder af te spreken of dairup te deyncken; Campen, 102: Siende blindt, hoorende doof; Everaert, blz. 254: Esser gheen ontfaermen? Syt ghy hoorende doof ende ziende blent? (vgl. blz. 499, 37 vlgg.); De Brune, 160

 Een man verstandigh, en bezint,
 Die is by wijlen ziende blint.

Tuinman I, 364: Zy zyn dikwijls niet minder te beklagen, die al ziende blind zyn. Wat baat kaars of bril, als de uil niet zien wilZie Harreb. I, 91 en Ndl. Wdb. III, 1376; VII, 681.; II, 111; Halma, 808: Ziende blind, qui ne veut pas voir, qui fait mine de ne pas voir, qui connive; Ndl. Wdb. II, 2855; Harreb. I, 62.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut