Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bliksem - (elektrische ontlading bij onweer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bliksem zn. ‘elektrische ontlading bij onweer’
Onl. blikisni (mv.) ‘bliksems, bliksemschichten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. in het ww. blixsen ‘bliksemen’ [1240; Bern.], blexeme ‘bliksem’ [1285; CG II, Rijmb.], ook blicsen, blixene, blixine, blicseme, blixem.
Wrsch. behoort dit woord met de achtervoegsels -s- en -m- (evt. -n-) bij de wortel pgm. *blika- ‘glanzen, schitteren’, zie → bleek 1, waarop ook de betekenis ‘licht-, bliksemstraal’ voor mnl. blic (zie → blik 1) wijst.
Os. bliksmo; Oud-West-Fries blicsen (nfri. bliksem, blaksem); < pgm. *blik-s-m ‘bliksem’. Zonder nasaalachtervoegsel: ohd. blecchazzen ‘bliksemen’, waaruit mhd. blicze, blick(e)ze, blitze (nhd. Blitz ‘bliksem’, zie → blits) en ook Fries blits ‘bliksem(schicht)’. Ozw. blixa (nzw. blixt(r)a ‘bliksemen’, blixt ‘bliksem’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bliksem* [elektrische vonk bij onweer] {oudnederlands blikisni 901-1000, middelnederlands blixem, blicsen, blixene, blixine, blexem, blicseme} van middelnederlands blic [lichtstraal, bliksemstraal] (vgl. blik1), gevormd met het achtervoegsel -m en -n; vgl. middelnederduits blixeme, oudwestfries bliksen en het verwante hoogduits Blitz.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bliksem znw. m., mnl. blixem(e), blexem(e), mnd. blixeme. Het woord is gevormd met het suffix -sman, zoals in ohd. dihsamo ‘gedijen’, drasamo ‘geur’; ndl. voorbeelden zijn droesem, bloesem en het bij Huyghens voorkomende zeissem (zie: zeis). — Daarnaast staat een -snan-suffix in onfrank. blikisni, os. blicsniun (gen. enk.), owfri. bliksen. Een andere formatie is weer mhd. blitze, blicze, blicz, nhd. blitz gevormd bij het ww. ohd. blecchazzen (gevormd als got. lauhatjan ‘bliksemen’). — Zie: blijken.

FW 72 merkt op, dat het niet nodig is een bijvorm met -sman naast -snan aan te nemen voor dit woord dat alleen nl. en nd. voorkomt. Daar staat echter tegenover, dat het suffix -sman in verschillende woorden voorkomt, -snan daarentegen sporadisch. Uit de vorm bliksem naast zelden mnl. blissem, blessem, blessen besluit FW dat de grondvorm *blikisman zal zijn geweest (zie ook W. L. van Helten Ts. 20, 1901, 304-6).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bliksem znw., mnl. blixem(e), blexem(e) m. Wsch. met suffixsubstitutie uit mnl. blixen(e) m., evenals ook mnd. blixeme naast blixene m. Vgl. droesem. Het is niet noodig een bijvorm met suffix -s-man- aan te nemen. Vgl. onfr. blikisni “fulgura”, os. blicsniun (gen. enk.), waarvoor men *blicsmun en *blicisnun heeft willen lezen, owfri. bliksen “bliksem”. Het ndl. woord heeft wsch. evenals ’t onfr. tusschen de k en s een vocaal gehad, want de vorm met x en niet blissem, blessem, blessen (Natuurkunde van ´t heelal) is de algemeene mnl. vorm. Gevormd van de germ. basis ƀlik-; wsch. een verlenging van * ƀlikis-(-iz-); zie blik II. Met een ander formans mhd. blickeze, blikze, blitze m. (nhd. blitz) “bliksem”. Het ww. blëcchazzen (nhd. blitzen) is reeds ohd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

bliksem. Vgl. behalve droesem ook de bij zeis vermelde dial. vorm zeisem (ook bij Huyghens zeissem) naast zeisen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bliksem m., Mnl. blixeme en blixen, Os. blicsmo, Onfra. blikisni, met suff. sem van denz. wortel als blijken (z.d.w.). Nhd. blitz, Mhd. blickeze heeft een t-suffix.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1bliksem s.nw.
1. Weerligstraal. 2. (plat) Duiwel. 3. (plat) Vent.
Uit Ndl. bliksem (Mnl. blizem(e), blezem(e), wsk. met vervanging van die agterv., uit blixen(e)), 'n afleiding van blik 'glans'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1950 in bet. 3).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

bliksem: flauwe –, laffe –, stomme –, wilde bliksem: (laffe, stomme, wilde enz.) kerel of vrouw.

Van de Velde. – Paranymf, je bent een flaauwe bliksem! (Johannes Kneppelhout, Studentenleven, 1841-1844)
Stomme bliksem! (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
Zeg, luie bliksems, komt ’r nog wat van? (Godfried Bomans, De avonturen van tante Pollewop, 1958)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

bliksem (als de gesmeerde --) (vert. van Engels like greased lightning of Duits wie ein geölter Blitz)
bliksem- (vert. van Duits Blitz-)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bliksem. Het WNT zegt dat bliksem in verwensingen voorkomt en geeft daarvan een citaat uit Op- en ondergang van Mas Anjello, of Napelse Beroerte, een treurspel uit 1668 van Thomas Asselijn. Ook vermeldt het dat bliksem synoniem is met duivel, d.w.z. ‘in sommige platte uitdrukkingen’. Als voorbeelden geeft het “Loop naar den bliksem!”, “Ik -geef er mooi de b- van”. Wat bij donder wordt opgemerkt over de weersverschijnselen, geldt zeker ook voor de bliksem. Immers, wie alleen maar naar de bliksem wijst, trekt deze aan en zijn vinger zou verrotten en afvallen, zegt het volksgeloof (Hiller 1987: 25). Wij kennen ook nog voor de bliksem, als de bliksem en om de bliksem. En in ons recent enquêtemateriaal komt de verwensing voor je kunt door de bliksem getroffen worden!, die minachting en onverschilligheid uitdrukt en net als loop naar de bliksem betekent ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Een variant hierbij is hij kan wat mij betreft door de bliksem getroffen worden! In 1974 stuurt een Amsterdamse correspondent aan Nico Scheepmaker, die dan onder de schuilnaam Hopper een rubriek over thuistaal verzorgt in de Volkskrant, de volgende anekdote: “Mijn broer was voor de oorlog bij een boer ondergedoken. Op een dag kregen zij stamppot zoete appeltjes, waar hij gek op was. Hij riep dan ook: ‘oh heerlijk hete bliksem’, waarop hij zich een ongeluk schrok – want hij kreeg van de baas ongenadig door de benen – want, zoals de boer zei, in zijn huis werd niet gevloekt!” Mullebrouck (1984) geeft voor Vlaanderen loop naar de bliksem en help donderen! en loop rondom naar de bliksem! opdonderen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blaken van den vermoedelijken Idg. wt. bhleg = schitteren (van vuur, licht); Germ. blek. Blaak was vroeger dan ook vlam, licht, gloed; vgl.: „Ontelbaar als de blaken (= lichten) aan des hemels firmament.” Frequ. blakeren. Verwant is: bliksem, oudtijds blaexem = blaaksem; ook blinken en blijken (= licht, duidelijk, helder zijn). Zie ook Blik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bliksem ‘elektrische vonk bij onweer’ -> Negerhollands blix ‘elektrische vonk bij onweer’; Papiaments bliksem ‘elektrische vonk bij onweer’.

bliksem ‘duivel, kerel’ -> Zuid-Afrikaans-Engels bliksem ‘kerel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bliksem* elektrische vonk bij onweer 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut