Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blik - (vertind dun plaatstaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blik 2 zn. ‘bladmetaal’
Mnl. blic, blec ‘dun bladmetaal’ [14e eeuw; MNW]; vnnl. blick, bleek ‘dun gouden plaatje, klatergoud’ [1599; Kil.].
Het woord behoort ablautend (nultrap) bij de wortel van → bleek 1 en → blijken.
Os. blek ‘metaalplaat’ (mnd. bleck, blick); ohd. bleh (nhd. Blech ‘blik, plaatijzer’); nfri. blik, blyk; nde. (< mnd.) blik ‘metaalplaat’; nzw. (< mnd.) bleck; < pgm. *blek- ‘het glanzende’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blik2* [vertind dun plaatstaal] {blec, blic 1384-1407} oudsaksisch blek [dun metaalblad], oudhoogduits bleh (hoogduits Blech) [eig.: het glanzende], behoort bij blik1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blik 2 znw. o. ‘stofnaam’, mnl. blic, blec ‘dun blad metaal’, os. blek ‘metaalplaat’, ohd. bleh (nhd. blech) = on. blik ‘glans’. — Het woord betekent dus eigenlijk ‘het glanzende’ als kenmerk van het metaal. — Zie: blik 1.

blikken 2 bnw., in de uitdrukking blikken dominee betekent ‘niet echt’ gebruikt voor een ‘onbevoegd predikant’, meestal voor de straatpredikers. (R. v. d. Meulen Ts. 62, 1943, 40-51). — Zie: blik 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blik II znw.o., mnl. blic, blec o. “dun blad metaal”. = ohd. blëh (nhd. blech), os. blëk o. “metaalplaat”, on. blik o. “glans”. Van rnnd. blëck, blick komt de. blik, zw. bleck “metaalplaat”. Germ. *ƀlika- (ouder *ƀlikaz-, -iz-: ohd. mv. op -ar, -ir; vgl. bliksem) “het glanzende”. Verwant met blik I. Evenzoo ook ndl. dial. blik, bliek “zilverkruid”, mnl. blic, blec v., fri. blikgat, gron. blikgras.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blik 1 o. (metaal, vuilblik), Mnl. blic + Ohd. bleh (Mhd. en Nhd. blech), On. blik (Zw. bleck, De. blik) = het glanzend metaal, van denz. stam als ’t meerv. imp. van blijken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2blik s.nw.
1. Blad sagte metaal waarvan artikels soos borde, emmers en houers gemaak word. 2. (ook in die verkleinw. blikkie) Houer van hierdie metaal gemaak. 3. Bakwerk van 'n motor.
Uit Ndl. blik (Mnl. blic, blec) 'dun blad metaal'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die meervoudsvorm bliks (1913 in bet. 1) 'koffiebeker' en in die vorme blik (1973 in bet. 2) en blikkie (1912 in bet. 2).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blik, blikje ‘vertind dun plaatstaal, doosje daarvan’ -> Deens blik ‘vertind dun plaatstaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors blikk ‘vertind dun plaatstaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds bleck ‘vertind dun plaatstaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins läkki ‘vertind stuk plaatstaal, blikken melkkan, blikje’ ; Ests plekk ‘vertind dun plaatstaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels blik ‘vertind dun plaatstaal’ ; Indonesisch blék ‘blikje’; Atjehnees blèt ‘blikje’; Gimán belèk, blek ‘omhulsel van vertind dun plaatstaal; blikje (melkpoeder)’; Jakartaans-Maleis belèk, belik, blèk ‘vertind dun plaatstaal’; Javaans bleg, blig, blik ‘grondstof, inhoudsmaat’; Keiëes blek ‘bus of doos van bladmetaal’; Kupang-Maleis blek ‘metalen opbergdoos’; Letinees blèèka ‘blikje’; Madoerees ēbblek ‘blikje’; Makassaars balế ‘doosje van bladmetaal voor sigaretten; petroleumblik; inhoudsmaat’; Menadonees blèk ‘blikje’; Minangkabaus belek ‘blikje’; Muna bhele ‘blikje’; Nias beleki ‘vertind dun plaatstaal’; Rotinees balèk ‘petroleumblik’; Sasaks bĕlek ‘busje van bladmetaal; inhoudsmaat’; Singalees belek ‘vertind dun plaatstaal’; Japans buriki, burikki ‘vertind dun plaatstaal’; Amerikaans-Engels dialect blickey, blickie ‘emmertje’; Papiaments bleki (ouder: blikki) ‘vertind dun plaatstaal’; Sranantongo brekri, blek ‘vertind dun plaatstaal’; Saramakkaans beénki ‘cilindervormig of doosvormig stuk blik of aluminium’; Surinaams-Javaans blèg ‘metalen blikje; (van) vertind dun plaatstaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blik* vertind dun plaatstaal 1384-1407 [MNW]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

blik: een — opentrekken, schertsend voor ‘ter beschikking stellen; zorgen voor (iets)’.

Daarnaast rukken nu ook de Talking Heads een blik gospelkoren open. (Vinyl, september 1986)
Trek maar een blik vrouwen open. (Natuur en Techniek, 1989)
Het was Wiegel die al in de jaren zeventig om meer politie vroeg. Hij kreeg in de jaren van polarisatie het verwijt maatschappelijke problemen te willen oplossen door ‘een blik agenten’ open te trekken. (Elsevier, 15/09/90)
We kregen vanwege persoonlijke relaties met Augstein en Servan-Schreiber gratis de nieuwsdienst van Der Spiegel en L’Express, en trokken nog een blik redacteuren open. (HP/De Tijd, 01/08/97)
Nordholt, vroeger fervent tegenstander van het almaar opentrekken van nieuwe blikken agenten, viel van zijn geloof en eiste geld voor meer mensen en materieel. (Elsevier, 14/08/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

253. Een blikken dominee,

d.i. volgens het Ndl. Wdb. III, 2784 ‘een zeer rechtzinnig en dientengevolge “stijf” predikant’. De beteekenis van blikken is echter niet die van ‘stijf’, maar van onecht, niet vol, van weinig waarde; vgl. hd. blech, Sache von geringem Wert; sinnloses Zeug; blecherne Weisheit, nietsbeteekenende wijsheid; ndl. een blikken, een officier van de administratieWoordenschat, 83, waar ook vermeld wordt blikken Jezus, spotnaam voor een mageren, bleeken man. Aldaar wordt medegedeeld, dat men onder ‘een blikken domine’ verstaat: ‘een eigengemaakte, een nagemaakte domine, tusschen 1850-'60 de naam van een bedelaar, die te Amsterdam rondliep. Oorspr. komt de naam te Utrecht voor, waar voor veertig jaar een blikslager woonde, die voor predikant gestudeerd had, maar mislukkende, in de zaak zijns vaders kwam. Zijn lust tot preeken en oefeningen leiden bleef hem bij en daardoor kreeg hij den naam van blikken domine.’. ‘Een blikken domine’ is een straatprediker of een oefenaar (Ndl. Wdb. II, 2847). Voor plaatsbewijzen zie Nav. XXIX, 262; Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Daarbij plechtige gebaren makend, van een blikken dominee afgekeken; IV, 25 Dec. p. 6; VIII, 10 Jan. p. 2; Amst. 62: Hij is fijn geworden!... 't is de blikken dominee, hij is van 't hondje gebeten; Kmz. 50; Kent. 35: Toen kijkt-ie me an met z'n valsche smoel, als 'n blikke dominée bij 'n sterfbed; Twee W.B. 91: Ach, blikke domenee, wou je met mij ruzie zoeken? Groot Nederland, Oct. 1914, bl. 419: Laat onzen lieven Heer 'r buiten - stel je niet as 'n blikken dominee an; Handelsblad, 2 Maart 1914 (avondbl.) p. 1 k. 2: De vroegere minister joeg op de Jantjes een blikken dominée af, die onder den eenen arm den Heidelbergschen catechismus droeg en onder den anderen Bunjam's pelgrimsreis naar de eeuwigheid; 24 Dec. 1915 p. 2 k. 1 (ochtenbl.); Amsterdammer, 13 Dec. 1914 p. 7 k. 1: Als niet te kwader ure op commando van een of anderen ‘blikke-domine’ van 'n legislateur wij Amsterdammers zoo buitengewoon fatsoenlijk waren geworden; enz. Vgl. hd. ein blecherner Heiland, religionslehrer.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut