Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blik - (wat in kleur of lichtglanzing afsteekt; oogopslag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blik 1 zn. ‘oogopslag’
Mnl. blic ‘oogopslag’ [1276-1300; CG II, Lut.A], ‘lichtstraal, bliksemstraal’ [15e eeuw; MNW]; vnnl. blick ‘fonkelend licht, schicht; knipoog’ [1599; Kil.], blick/ooghen-wit ‘wit van het oog’ [1599; Kil.].
Het woord behoort bij de wortel van → bleek 1 en → blijken. Het is wrsch. een intensiverende vorm met verdubbeling van de medeklinker bij pgm. *blika- ‘glanzen, schitteren’. De oorspr. betekenis van deze wortel *blikk- zal ‘oplichten, plotseling schitteren’ zijn geweest. Deze is later op de snelle blik van het oog overgegaan.
Mnd. blick; ohd. blich (nhd. Blick); nfri. blik; < pgm. *blikk- ‘glans, schittering’.
blikken ww. ‘kijken’. Mnl. blicken ‘schijnen, flikkeren, zichtbaar worden’ [1350; MNW], blicken ‘blikken werpen, lonken’ [1400-50; MNW]. Afleiding van blik.

EWN: ♦ blikken ww. 'kijken' (1350)
ANTEDATERING: Daer blikkede oc dat rode gout 'daar glinsterde ook het rode goud' [1265-70; VMNW]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blik1* [wat in kleur of lichtglanzing afsteekt, open, bloot (bv. palen die boven water komen, ontveld), oogopslag] {blic [lichtstraal, bliksemstraal, land dat slechts even boven water uitsteekt, ontveld] 1276-1300; de betekenis ‘oogopslag’ 1608} middelnederduits blick [glans, schittering, bliksem], oudhoogduits blic(ch), verwant met blikken1, bliek, blek. Bekend was de Blikplaat in de vroegere Lauwerszee. Cats gebruikt het woord in: ‘Al schijnt het eerst maar zand en niet dan enkel blick, Het neemt gedurig toe en wordt tenslotte slik’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blik 1 znw. m. ‘het zien’, mnl. blick ‘lichtstraal, bliksemstraal’, mnd. blick ‘glans, schittering, bliksem’, ohd. blicch ‘lichtstraal, bliksemstraal’. Daarnaast on. blik o. ‘glans’ en blika ‘glanzen, fonkelen’. — Zwakke trap bij de woorden bleek en blijken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blik I (het zien), mnl. blic(ck) m. “lichtstraal, bliksemstraal” (de bet. “bliksemstraal” nog dial., Zaansch, evenzoo blikken “weerlichten”). = ohd. blicch, m. “id.” (nhd. blick = nndl. blik), mnd. blick m. “glans, bliksem, schittering” (on. blik o. “glans” = blik II). Hangt nauw samen met blikken, mnl. blicken “schitteren, in het oog vallen” = ohd. blicchen “licht uitstralen, glanzen”, mnd. blicken “id., zich vertoonen”. De bett. “stralen, zich vertoonen” en “zien” liggen dicht bij elkaar, vgl. bijv. lit. żeréti “stralen”: obg. zĭrěti “zien” en ook ndl. er uit zien e.dgl. Wgerm. blik staat in ablaut tot bleek en blijken. Zie blik II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blik 2 m. (schittering, wit der oogen), Mnl. blic + Ohd. blich (Mhd. blic, Nhd. blick), evenals blik 1, van denz. stam als ’t meerv. imp. van blijken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1blik s.nw.
Oogopslag.
Uit Ndl. blik (Mnl. blic) 'ligstraal, bliksemstraal' (lg. bet. nog in Zaans). Die woord hou verband met bleek en bleik en beteken oorspr. 'glansende lig wat by oë uitstraal'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blik I: “oogopslag” (vgl. oomblik); Ndl. blik (Mnl. blic(k), “ligstraal”), Hd. blick, hou verb. m. bleek/bleik (q.v.) en blyk.

blik II: “dun strook metaal”; Ndl. blik (Mnl. blec/blic), Hd. blech, hou verb. m. blik I en m. bliksem (q.v.), wat albei bet. “glans” inhou.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blik, eig. heldere straal, glans; de blik der oogen, later het zien der oogen zelf, van den wortel bhleg, zie Blaken. Van blik is ook bliksem afgeleid door ’t achtervoegsel sem.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blik ‘oogopslag’ -> Fries blik ‘oogopslag; visie, opvatting’; Deens blik ‘oogopslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors blikk ‘oogopslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds blick ‘oogopslag’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo blek ‘oogopslag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blik* oogopslag 1608 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

blik op oneindig, verstand op nul, (te werk gaan) zonder zijn verstand te gebruiken; op een weinig subtiele manier (iets doen). Sinds het begin van de jaren tachtig. Eerder gebruikelijk in soldaten- en luchtvaartslang.

Zinnetjes als ‘verstand op nul, blik op oneindig’ en ‘hoe sterk is de eenzame fietser’ hameren steels hun duffe deuntjes... (Kees van Kooten: Veertig, 1982)
‘Ja Arie,’ zegt iemand naast hem, ‘die zet z’n blik op oneindig en z’n verstand op nul en begint te rossen.’ (Hans Moll: De hoeken van de ring, 1987)
Nee, Japanse heren relaxen in een andere wereld. In geïsoleerde stoelen (abonnement 160 gulden per maand, los van het lidmaatschapsgeld van de club) doen zij of zij er niet zijn: uitzicht op behang van boslandschap, klassieke muziek van links naar rechts, kortom: verstand op nul en blik op oneindig. (De Volkskrant, 03/12/88)
... in de slopende finale, wanneer bij de meeste tegenstanders het verstand op nul en de blik op oneindig is gevestigd. (Wieler Revue, 13/10/89)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut