Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blij - (vrolijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blij bn. ‘vrolijk’
Onl. in het werkwoord blīthan ‘verblijden, zich verheugen’ [10e eeuw; W.Ps.], *blīthi, *blīdi in de plaatsnaam Blidenstat ‘Blijdenstein (Drente)’ [1152; Künzel 92]; mnl. blide ‘verheugd’ [1240; Bern.].
Os. blīthi ‘helder, vrolijk’; ohd. blīdi ‘vrolijk, vriendelijk’; ofri. blīthe (nfri. bliid ‘vrolijk’, blier ‘vrolijk van aard’, blij ‘licht, glanzend’ (ook in bijv. blijblau ‘helder-, lichtblauw’, blijread ‘helder-, lichtrood’); oe. blīðe ‘vrolijk, vriendelijk’ (ne. blithe ‘zorgeloos, onbekommerd’)); on. blíðr ‘zacht, vriendelijk’ (nzw. blid ‘zacht, mild, vriendelijk’); got. bleiþs ‘vriendelijk, barmhartig’; < pgm. *blīþi-, mogelijk van de werkwoordstam *blī- ‘schijnen’. In de oudste overleveringen betekent het woord ‘genadig, vriendelijk, helder, licht’, maar ook de betekenis ‘vrolijk’ komt al vroeg voor.
De vorm is uitsluitend Germaans. Er is wel gedacht aan verband met Hittitisch miliddu-, maliddu- ‘zoet’ en zo met pie. *m(e)lit- ‘honing’ (> got. miliþ ‘honing’; Latijn mel ‘id.’, bij uitbreiding ‘al wat zoet of aangenaam is’); de betekenis zou zich dan ontwikkeld hebben van ‘zoet’ naar ‘blij’. Dit lijkt echter onwaarschijnlijk, en bovendien blijft de lange -i- onverklaard.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blij*, blijde [vrolijk] {in de plaatsnaam Blidenstat, nu Blijdenstein (Drente) <1152>, bli(de) [helder, vrolijk, gelukkig, blij] 1201-1250} oudsaksisch blīthi [helder, vrolijk], oudhoogduits blidi [vrolijk, vriendelijk], gotisch bleiþs [vriendelijk, barmhartig]; het woord komt alleen in het germ. voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blijde 2 bnw., ook blij, mnl. blîde ‘vrolijk, blij, helder, gelukkig, welgezind’, os. blīthi ‘vrolijk, helder’, ohd. blīdi ‘vrolijk, vriendelijk’, oe. blīðe ‘vrolijk, vriendelijk, kalm’, on. blīðr ‘zacht, vriendelijk’, got. bleiþs ‘vriendelijk, barmhartig’, vgl. nog onfrank. blīthon ‘vrolijk zijn’.

Het woord behoort tot de woordgroep van idg. *bhlei, afl. van *bhel (Persson, SHVS 10, 1912, 27-29). De verbinding met oi. mṛtyati, mḷtyati ‘uiteenvallen’ kl. russ. mľity ‘gaar worden’ (FW 71) is minder waarschijnlijk. — Zie verder onder blijken. — Opmerkelijk is dat dit woord alleen in het germ. overgeleverd is, wat wel wijst op secundaire formatie. — Zie voor deze wel grotendeels affectieve formaties de Vries, PBB 80, 1958, 22-24.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blij, blijde bnw., mnl. blîde “vroolijk, blij. helder, gelukkig, welgezind”. = (onfr. blîthon “laetari”), ohd. blîdi “vriendelijk, vroolijk”, os. blîthi “vroolijk, helder”, (owfri. blydschip “blijdschap”), ags. blîðe “vroolijk, vriendelijk, rustig” (eng. blithe), on. blîðr “zacht, vriendelijk”, got. bleiþs “vriendelijk, barmhartig”. Wsch. van den onder blaag besproken wortel. Voor ’t i-vocalisme vgl. klruss. ml’ity “gaar worden”, ml’a “het zwakke, murwe”, ksl. mlinŭ “pannekoek”, voor de bet. de bij ’t verwante mild genoemde woorden. Ook oi. mrityati, mlityati “hij valt uiteen, wordt opgelost” kan als idg. *mlitjeti of *mlətjeti met deze woordfamilie verwant zijn (zie echter breed). Er is geen reden, om ’t met blijde samen van de andere woorden te scheiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blij, blijde. Ofri. ook blîth(e) ‘blij’. Waarschijnlijker dan de combinatie met blaag en verwanten is die met de woordfamilie van blei. De bet. ‘glanzend, licht, helder (van de hemel)’, die het Os. en het Mnl. nog kennen, moet dan de oudste zijn geweest en voor de secundaire bett. zijn hd. heiter en de bij glad genoemde ags. on. woorden te vergelijken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blijde 1 bijv.(verheugd), Mnl. blide, Os. blîthi + Ohd. blîdi (Mhd. blíđe), Ags. blíđi (Eng. blithe), On. blíđr (Zw. en De. blid). Go. bleiþs (de bet. zijn vriendelijk, vroolijk, klaar): Ug. *mlîþ- + Oier. blaith = mild: Idg. *mloi̯t-, verwant met mild.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

blij (bn.) vrolijk; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) blij, Vreugmiddelnederlands bliden <1152>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blij ‘vrolijk’ -> Duits dialect blide, blied ‘vrolijk, vriendelijk’; Frans dialect blit ‘slappeling, nietsnut’; Negerhollands bli, blie ‘vrolijk’; Berbice-Nederlands bli ‘vrolijk’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Blij dat ik rij [reclameslogan] (1976). Voor de Bovag en de RAI Vereniging ontwerpen Eric Ezendam en Leo Stumpel in 1976 een campagne met de slogan ‘Blij dat ik rij’. Deze campagne is bedoeld om het autorijden te stimuleren, aangezien de overheid in die tijd nogal ‘anti-auto’ is.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blij* vrolijk 1152 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1582. Zich verblijden met een doode musch,

d.w.z. eig. zich verblijden met een doode musch in de meening, dat ze leefde; zich verblijden met iets, dat eig. niets beteekent; meenen, dat men iets werkelijk bereikt heeft, terwijl dit toch volstrekt niet het geval is; lat. carbonem pro thesauro invenire. In de 18de eeuw is de uitdr. te vinden in V. Janus I, 144; III, 36; het Boere-krakeel, 53:

 Hoe kunnen zig de luy vermaeken
 Mit doode Mossen, als men zegt!
 Eer dat men van den staet der zaeken
 Nae waerheid, iens is onderrecht.

Harrebomée II, 71 b: Hij verblijdt zich met eene doode mees (of muschW. Kist, Eduard van Eikenhorst (Haarlem, 1809-1811) 3, 259: Ik heb mij dan, in mijne gedachten, met eene doode mees verheugd; vgl. Everaert, 66: Wien dat lydt ghebrec, ghy en achs een meese (waar mees gebezigd is in den zin van iets van geringe waarde).); Falk. VII, 78: Zal 'k vader en moeder lekker maken met een dooie mosch?; Nkr. III, 18 April, p. 4: 't Is klaar als water, dat we ons met een dooie musch verblijden; VII, 10 Mei, p. 2; Het Volk, 20 Febr. 1914, p. 2 k. 3: Maar gelukkig het is niet waar en de heeren maken zich blijde met een doode musch; 14 April 1914, p. 13 k. 4: Weer zal de bourgeoisie zich verheugen met een doode musch als zij straks de verslagen der debatten leest. In Zuid-Nederland is ook bekend: Twisten voor 'nen dooden hond (of een doode musch), twisten om eene kleinigheid (Joos, 91) en in Antw. iemand blij maken met 'n doo(de) mus(ch), met eene nietigheid (Antw. Idiot. 252; ook in Limb. volgens 't Daghet XIII, 48); fri. hy formakket him mei in deade mosk; Afrik. hy verheug hom oor 'n dooi mossie; vgl. eng. to find a mare's-nest.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut