Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bliek - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bliek zn. ‘zoetwatervis (Blicca bjoerkna)’
Mnl. blic als bijnaam [1223; CG I, 7], de bliec als bijnaam [1291; CG I, ], bliecken (mv.) [1351; MNW-P]. Naast bliek ook ndl. blik (bijv. vnnl. blick, bleye/blije ‘soort visje’ [1599; Kil.]). Daarnaast zonder /k/ de variant blei: mnl. bley ‘blei’ [1477; Teuth.], vnnl. blei [1550; WNT].
Mhd. blicke ‘soort vis’; nfri. blyk ‘bliek’ en voorts met ablaut ohd. bleihha ‘zeetong; schol?’; me. (mogelijk < on.) blèke [1496] (ne. bleak); mogelijk van een wortel pgm. *blei-, *bli- ‘schijnen’. Varianten met velaar: mnd. blei(g), bleger, bleier; nhd. Blei; nfri. blei; oe. blǣge (ne. blay); < pgm. *blaijōn.
Er wordt wel gedacht aan afleiding van een wortel pie. *bhleiH- ‘glanzen’ (IEW 155), waarbij dan de vormen os. blī ‘kleur’; ofri. blī(e)n; oe. blēo (ne. blee ‘teint’) zouden horen, maar voor deze etymologie is geen enkele bevestiging te vinden. Bovendien komt deze wortel alleen in Germaanse vormen voor; ook vanwege het betekenisveld is het wrsch. een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bliek* [blei] {blecke, bleckijn 1401-1500, misschien ook in de naam Walterus Blic 1223} van middelnederlands blec, blic [blik]. Net als blei1 betekent de vissennaam eigenlijk ‘de glanzende’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bliek znw. m., dial. ook blik, mnl. blecke, ohd. blieka (nhd. blicke) zw. blicka en verder abl. ohd. bleicha, on. bleika, de. blege; zie: bleek en blei. — > fra. blique (16de eeuw), zie M. Valkhoff 63.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blei znw., mnl. blei v. Vgl. mnd. blei(g), bleger, bleier, nhd. blei m., blei(h)e v., ags. blæ̂ge v. (eng. blay) “blei”. Wsch. gaan blei zoowel als ags. blæ̂ge op *ƀlaijô(n)- terug. Verwant is dan in de eerste plaats mnl. blie, os., ofri. blî, ags. blêo o. “kleur”, germ. *ƀlī̆(j)a- of *ƀlîwa-, verder ook misschien mnl. blî, ohd. blîo (nhd. blei), os. blî, on. blŷ o. “lood”, germ. *ƀlîwa-. [Beide woorden *ƀlîwa- kunnen oorspronkelijke w of (minder wsch.) w < ʒw in gramm. wechsel met χw, hebben. In ʼt laatste geval vgl. russ. blëknut’ “verbleeken, verschieten, verwelken”. NB. *ƀlîwa- “lood” wordt ook heel anders verklaard.] In ieder geval mogen wij verwantschap hoogerop met de basis bhlejeĝ- (zie bleek) aannemen. Andere formantische afll. van de kortere basis bhlei- zijn nog o.a. ohd. pleiʒa v. “livor”, ags. blât “bleek”, obg. blêdŭ “id.”, lit. blaixýti-s “opklaren”, alb. bl’éhurɛ “bleek”. De vischnamen mnl. bliec (v.?), nnl. bliek, dial. ook blik, mnl. blecke v., bleckijn o., ohd. blieka, zwits. bliegge, nhd. blicke v., zw. blecka, ouder-zw. blicka, ohd. bleicha v., on. bleikja v., de. blege sluiten zich bij bleek aan, hoewel sommige vormen moeilijk te verklaren zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bliek v., Mnl. bliec, blecke + Ohd. blieka en bleihha (Nhd. blicke), Eng. bleak, On. bleikja (Zw. blecka, De. blege): oorsprong onbek., ten ware men het, trots den afwijkenden klinker, bracht tot bleek, waarvoor vergel. Fr. ablette = witvisch.

blik 5 v. (visch), verkort uit bliek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bliek ‘beenvis’ -> Frans dialect blique ‘vissoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bliek* beenvis 1291 [CG I Oudenaarde]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2357. Vergallen,

eig. gezegd van een visch, welks galblaas men bij het schoonmaken opensnijdt, waardoor de gal zich met het bloed vermengt en hij een bitteren smaak krijgt; overdr. gebezigd in den zin van het aangename van iets wegnemen, verbitteren. Vgl. OVl. Lied. en Ged. 116; Gulden Troon, 108 a: Dat is ydel eer die den mensch van buten vergevet ende van binnen vergallet; Kiliaen: Vergallen den visch, piscem amaro sapore inficere rupto felle inter exenterandum; de uitdr. de baars vergallen, de zaak bederven (zie Marnix, Byenc. 6 r; Paffenr. 177), hetzelfde als het nog bekende de bot vergallen; in Zuid-Nederland de bliek vergallen (Schuermans, 784 a). Vgl. ook het hd. vergällen; mhd. vergellen; fr. enfieller.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut