Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

bles - (witte plek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bles zn. ‘witte plek’
Mnl. blasse, bles zoals in te blassen ‘met een bles’ (?) [ca. 1308; MNW]; vnnl. blesse ‘kaal voorhoofd’ [1599; Kil.], als bn. bles ‘kaal’ [1599; Kil.].
Os. blas (bn.) ‘bleek’ (mnd. bles(se) ‘bles’, blasenhingest ‘paard met bles’); ohd. blas (bn.) ‘wit aan het voorhoofd, kaal’, blasros ‘paard met een bles’ (nhd. blass (bn.) ‘bleek’, Blässe (zn.) ‘bleekheid’, Blesse ‘bles’); nfri. blês ‘bles’ (blêsgoes ‘kolgans’); oe. blase, blæse ‘fakkel, lamp’ (ne. blaze ‘vlam, vuurgloed’); on. blesi ‘witte voorhoofdsvlek’; < pgm. *blesa-, *blasa-. Hieruit door grammatische wisseling en rotacisme ook → blaar 2 ‘witte plek, bles’. Verder is ook verwant onl. blasma ‘fakkel’ [10e eeuw; W.Ps.].
Buiten het Germaans verwant met Latijn fulix, fulica ‘meerkoet (= dier met witte bles)’; Grieks phalós ‘wit’, phaliós ‘glanzend, met een witte voorhoofdsvlek’; Dorisch phalārís ‘meerkoet’; Sanskrit bhālam ‘glans, voorhoofd’; Litouws bãlas, báltas ‘wit’; Albanees balásh ‘paard of koe met bles’; bij de wortel pie. *bhel- ‘glanzend, wit’ (IEW 118).
Engels blaze ‘bles’ verschijnt vanaf de 17e eeuw en wordt verklaard als een overname uit een Scandinavische taal (hoewel dat laat zou zijn), maar is waarsch. een ontlening aan het Nederlands of Nederduits.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

bles* [witte plek op voorhoofd van paarden] {bles, blasse [met een witte vlek op het voorhoofd] 1300} middelnederduits bles(se) [witte vlek], oudsaksisch, oudhoogduits blas, oudnoors blesōttr [met een bles]; buiten het germ. o.a. grieks phalos [wit], bretons bal [bles], oudkerkslavisch bělŭ [wit]; samenhangend met blaken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

bles znw. v., mnl. bles naast blaer ‘met een witte plek op het voorhoofd’, ook ‘kaal, berooid, woest’, verder nog blaerde en blasse, mnd. blesse, bles, nhd. blesse ‘witte vlek’. Het germ. *blasja is afgeleid van *blasa, vgl. os. ohd. blas ‘met een witte vlek op de kop’, daarnaast *blěsa in mnl. bles (verbogen blese) en on. blesóttr ‘met een bles’. Verder zijn nog verwant: onfrank. blasmo ‘vlam’, mnd. mhd. blas o., oe. blæse v. ‘brandende fakkel’. — > ne. blaze (1639 en nog dial.; vgl. Bense 13).

Opmerkelijk is dat wij in het got. de naam Bala voor het paard van Belisarius vinden, ook met de betekenis ‘bles’, evenals ne. dial. ball (vgl. ne. bald ‘kaalhoofdig’) en verder bæl ‘brandstapel, on. bāl ‘vlam, vuur’. — Deze behoren tot de idg. wt. *bhel- ‘glanzend wit’, vgl. oi. bhalam ‘glans, voorhoofd’, gr. phalós ‘wit’, alb. balë ‘voorhoofd), kelt. belo- ‘schitterend’ (vgl. de godennaam gall. Belenos), lit. balas ‘wit’, lit. baltas ‘wit’ (IEW 118-120). Deze wortel heeft verschillende afleidingen, waarvoor zie: blijken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bles znw. en bnw. Mnl. komen blaer bnw. “met een witte plek aan ʼt voorhoofd” (ook “kaal, bloot, berooid, woest”) zoowel als bles (verbogen blēse) “id.” voor, benevens blaerde “id.”, blasse v. “witte plek aan ʼt voorhoofd”. Nndl. dial. vinden we bles (Goeree blis) en blār beide, vaak naast elkaar; bles bestaat bijna over ʼt heele ndl. taalgebied (ook fri.) = “witte plek”. Ndl. bles zal wel oorspr. e hebben blijkens den verbogen vorm mndl. blēse. Uit *blasja- zou *bless- te verwachten zijn en *blasi- is onwsch. Mnd. blesse, bles v., nhd. blesse (: laat-mhd. oudnhd. blasse) “witte vlek” kan umlauts-e hebben en zich aansluiten bij ohd. blas “wit, met een witte vlek op den kop” (nhd. blass), os. blas (“candidus”?), dat met mnl. bles en on. blesôttr “met een bles” in ablaut staat. De vorm met r (gramm. wechsel!) is ook ndd.: mnd. blāre “bles, bleskoe”. Vgl. nog eng. blaze “bles”. De bet. “wit” van deze woordgroep is uit “glanzend” ontstaan, vgl. onfr. blasmo “flammam”, mhd., mnd. blas o., ags. blæse v. (eng. blaze) “brandende fakkel”. Germ. ƀles-, ƀlas- gaat op idg. bhles-, bhlos- terug. Hierbij misschien met ablaut ksl. blěskŭ “glans”, dat echter ook anders verklaard wordt (zie bleek). Bhle-s- is een variant van de bij blaken besproken basis. Zie ook bij berk. Voor de bet. vgl. kymr. bal “met een wit gezicht”, bret. bal “witte vlek op ’t voorhoofd”, hoogerop verwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

bles bijv.resp. v., in al de bet., met e = ä en afwisseling van s — r bijvorm van blaar 1; Mnl. blesse + Ohd. blas (Mhd. blas, Nhd. blasz bijv., en blässe v.), On. bles = witte plek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

bles ‘witte plek op voorhoofd van paarden’ -> Zuid-Afrikaans-Engels bles ‘witte plek op voorhoofd van paarden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

bles* witte plek op voorhoofd van paarden 1300 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut