Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blauwkous - (spotnaam)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blauwkous [spotnaam] {1872} in de Klucht van Kees Louwen (1667) komt Juffrouw Blaeu-kous voor, die alle praatjes over en weer weet, mogelijk gevormd naar hoogduits Blaustrumpf, depreciërend gebruikt voor gerechtsdienaren, die in de 17e eeuw blauwe kousen droegen. Daarenboven bestond ten huize van Lady Elizabeth Montague in Londen in het midden van de 18e eeuw een literaire kring, waarin Benjamin Stillingfleet een voorname plaats innam. Hij was wat excentriek en droeg blauwe kousen. Dat gaf admiraal Boscawen aanleiding van de blue stocking society te spreken.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

blauwkous

In de negentiende eeuw noemde men in Engeland een vrouw die voor bijzonder geleerd en ontwikkeld wilde doorgaan, een blue-stocking, in Duitsland een Blaustrumpf, in Frankrijk een bas-bleu en in Nederland een blauwkous. Men zegt dat omstreeks 1750 Lady Montague in Londen een salon hield, waar de botanicus Benjamin Stillingfleet die weinig om zijn kleding gaf, placht te verschijnen met blauwe wollen kousen in plaats van met zwarte zijden, zoals de mode voorschreef. Daarom sprak men weldra van the blue-stocking society en noemde vervolgens de leden daarvan blue-stockings. Omstreeks 1830 kwam het woord in Duitsland, daarna in Nederland in zwang. Thans is het in onbruik geraakt, omdat het uit de tijd is te spotten met geleerdheid in een vrouw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blauwkous znw. v. evenals nhd. blaustrumpf en fra. bas-bleu overgenomen < ne. blue stocking. Omstreeks 1750 hield Lady Elis. Montague in Londen een salon, waarop Benj. Stillingfleet met blauwe wollen (in plaats van met zwarte zijden) kousen placht te verschijnen. Dit excentrieke optreden leidde er toe, dat admiraal Boscawen dit gezelschap als The blue stocking society bespotte. Dan duikt de betekenis van ‘geleerde vrouw’ het eerst in 1797 op en wordt in Duitsland sedert 1830 door Börne algemeen. Ook het nl. woord komt eerst in de 19de eeuw op.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blauwkous znw. In de tegenwoordige bet. sedert de 19de eeuw. Evenals hd. blaustrumpf m., fr. bas-bleu naar eng. blue stocking, misschien ± 1750 ontstaan in den kring van lady Montague, waar vooral dames toe hoorden en waar een van de leden blauwe kousen placht te dragen. Reeds in 1667 juffrou Blaeukous als naam van de dokteres, hd. blaustrumpf in de 18de eeuw = “kwaadspreker”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blauwkous v., gelijk Eng. blue stocking, Hgd. blaustrumpf, De. blaastrompe, uit Fr. bas-bleu (1590) naar de Venetiaansche Società della Calza die uit het begin der 15e eeuw dagteekent. Ndl. en Hgd. w. reeds tweede helft 17e eeuw, Eng. eerst 1780.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

bloukous s.nw. (neerhalend)
Geleerde vrou wat haar van die stereotipe vroulike take distansieer.
Uit Ndl. blauwkous (1855).
Ndl. blauwkous is reeds in 1667 opgeteken uit die klug van Kees Louwen waarin die eienaam Juffrou Blaeu-kous gebruik is. Dié naam is mntl. 'n vertaling van Hoogduits Blaustrumpf, 'n neerhalende benaming vir geregsdienaars wat in die 17de eeu blou kouse gedra het. Ndl. blauwkous in die bet. hierbo genoem, is egter 'n leenvertaling van Eng. blue stocking (ongeveer 1780). Eng. blue stocking is as spotnaam gebruik om te verwys na intellektuele wat 'n literêre kring aan huis van Lady Elizabeth Montague in Londen gevorm het en wat blou kouse van kamgare, i.p.v. die gebruiklike swart sykouse, gedra het.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

blauwkous: (spottend) geleerde vrouw die huishoudelijk werk als minderwaardig en uiterlijk als bijkomstig beschouwt en via haar studie carrière wil maken. Charlotte Brontë werd destijds afgeschilderd als een getalenteerde blauwkous. Vertaling van het Engelse blue stocking. De eerste blauwkous was in feite een man! In het midden van de achttiende eeuw droeg een excentriek lid van een Brits cultureel gezelschap, Benjamin Stillingfleet van de Lady Montague Kring, ooit tijdens een bijeenkomst blauwe kousen (i.p.v. de zwarte die bij de officiële kledij hoorden). Hierdoor werd de kring bekend als de blue stockings society. De vrouwelijke leden waren doorgaans erg erudiet. Eveneens in het Duits: Blaustrumpf.

Onder dat zestal bevond zich ook een zoogenaamde bas-bleu. Voor zoover mij bekend, wordt onder blauw-kous verstaan een geleerde of geletterde vrouw; een dame die gaarne discussieert en disputeert met mannelijke collega’s, – vooral het laatste. Maar deze blauwkous is, zooals vele harer would-be geletterde zusteren, meer knap in haar verbeelding dan in de werkelijkheid. (De Groene Amsterdammer, 31/01/1886)
Zo’n sijsjeslijmer als Clemens toch feitelijk was, die zou waarschijnlijk nooit iets anders hebben kunnen verwekken dan een nagelbijtster met een kromme rug of een blauwkous vol pukkels. (W.F. Hermans, Uit talloos veel miljoenen, 1981)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

blauwkous (vert. van Engels blue-stocking)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blauwkous spotnaam 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

249. Blauwkous.

Deze benaming bezigt men voor eene vrouw, die zich aan de studie wijdt, eene geleerde dame. Ze komt tweemaal voor in de Klucht van Kees Louwen, anno 1667, waar sprake is van Juffrouw blaeukous. Op de eerste plaats is het iemand die wonden kan genezen, op de tweede iemand die alle praatjes weet en oververtelt. Of we hier reeds met het woord in den tegenwoordigen zin te doen hebben, is dus onzeker (vgl. ook Ndl. Wdb. II, 2804). Dit houdt men voor eene vertaling van het eng. blue-stocking, dat in 1653 het eerst gebruikt is met betrekking tot het parlement, dat uit eenvoudig gekleede menschen bestond. In het midden der 18de eeuw werd het toegepast op geleerde dames. Toen leefden te Londen eenige dames, bij wie vergaderingen gehouden werden, waar ook geleerde mannen kwamen, o.a. eene mijnheer Benj. Stillingfleet, die zich zeer vreemd kleedde en blauwe kousen droeg. Naar hem zegt men dat dergelijke vergaderingen Blue-Stocking-Societies genoemd zijnBorchardt no. 163; De Cock2, 276; Büchmann, 481-482; Murray, 946 a en Kluge, Zeitschr. für D. Wortforschung I, 73; II, 26., een naam, het eerst daaraan gegeven door den admiraal Eduard Boscawen; vgl. fr. bas-bleu; hd. blaustrumpf (in de 18de eeuw = kwaadspreker).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut