Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blauw - (kleur)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blauw bn. ‘hemelkleurig’
Mnl. blau [1240; Bern.]; ook als zn. blau [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Het woord is algemeen Germaans: os. blāo (mnd. blā); ohd. blāo, blāw- (mhd. bla; nhd. blau); ofri. blau, blāw (nfri. blau); oe. blae- (me. blew, ne. blue < Oudfrans bleu); on. blár (me. blo, nzw. blå); < pgm. *blēwa-.
Verdere verwantschappen zijn zeer onzeker. Mogelijk met Iers blá en met Latijn flāvus, beide ‘geel’. Ook is een wortel pie. *mlēua gesuggereerd (met Grieks mélas ‘zwart’). De verhoudingen tussen kleuren en hun namen zijn in verschillende gebieden wisselend geweest.
Via het Frans ook ontleend als → bleu 2 ‘lichtblauw’.
Lit.: Schrijver 1991

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blauw1* [kleur] {bla(e)u 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits blao [blauw, ook: geel], oudfries blāw, blau, oudengels blāw, oudnoors blār, het laatste naast blauw ook zwart. Aanvankelijk had het woord een algemene betekenis van ‘glanzend’. Buiten het germ. latijn flavus [geel, blond].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blauw bnw., mnl. blâ, blau, blaeu, os. blāo, ohd. blāo, ofri. blāw, blāu, oe. blāw ‘blauw’, on. blār ‘blauw, zwart’.

De etymologie is niet zeker. 1. gaat men van idg. *bhlēu̯o uit, dan kan men daarnaast stellen *bhlōu̯o, waarop men lat. flōrus ‘goudgeel’, oiers blā ‘geel’ kan terugvoeren (voor de verhouding tot lat. flāvus zie Hirt, Idg. Gramm. 2, 132), zie ook: blozen. De herleiding tot de wt. *bhel, waartoe men ook blaken kan rekenen, is mogelijk, maar hypothetisch. IEW 160 stelt een afz. wortel *bhlē-u̯o-s op met de betekenis van lichte kleuren: ‘blauw, geel, blond’. De betekenis van kleuren is inderdaad vlottend, maar men kan van blauw niet zeggen, dat het tot de lichte kleuren behoort; in elk geval heeft het on. de nuance tot zwart toe. — 2. Te verbinden met.gr. mélas ‘zwart’, en mōlōps ‘striem van een slag’ en germ. got. mēl, mnd. ohd. on. māl, oe. mæl ‘vlek, teken’; (zie: maal 4); voor de overgang ml > bl zie ook mnl. blac ‘inkt’, ohd. blah, oe. blæc ‘zwart, inkt’ (Hirt, Etym. der nhd. sprache 193). — frank. *blāw werd in het gallorom. overgenomen: blāvus (glossen van de 8. tot 9. eeuw), ofra. naast elkaar blef en blou, de laatste voerde tot bleu.

blauw [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie E. Polomé, RBPhH 44, 110-112 [1966].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blauw bnw., mnl. blâ (ospr. nominatiefvorm), blau, blaeu. = ohd. blâo (nhd. blau), os. blâo, ofri. blâw, blâu, ags. blâw (eng. blue uit fr. bleu en dit uit ʼt Germ.), on. blâr “blauw”. “Waarschijnlijk verwant met ier. blâ “geel”, lat. flâvus “id., blond”, eventueel, als wij vóór w w.- en ngerm. â uit idg. â mogen aannemen (vgl. grauw), met deze woorden identisch. Met ablaut lat. fulvus “geel”. Voor de bet. vgl. hieronder lit. mė́lynas: kymr. melyn. De wortel bh(e)lâ- zal wel tot de varianten van bh(e)leĝ- (zie blaken) hooren en dus ospr. “glanzen” beteekenen. Men heeft ook blauw als idg. *mlêwa- bij gr. mélas “zwart” gebracht, waarmee met meer waarschijnlijkheid ohd. blah, ags. blæc (eng. black) “zwart”, als znw. o. “inkt” (ook os. blak o., mnl. blac m.?, en, uit het Ags. ontleend, on. blek o.) wordt gecombineerd. Zie over deze woordgroep bij malen II en vergelijk nog de kleurnamen kymr. melyn “geelachtig”, lat. mulleus “purperrood”, gr. méltos “roodachtig”, lit. mulvas “id., geelachtig”, mélynas “blauw”, lett. melus “zwart”. Ook lat. flâvus, ier. blâ zijn wel hierbij gebracht (idg. ml-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blauw. De â van lat. flâvus wordt zeer verschillend verklaard, maar zal in ieder geval niet op idg. â berusten. Daarom is er ook geen reden om voor de n.- en wgerm. â een andere oorsprong als idg. ê aan te nemen. Vgl. nog grauw Suppl. Lat. fulvus ‘geel’ hoort wsch. niet in dit verband: zie bij geel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blauw bijv., Mnl. blau, bla, Os. blâo + Ohd. blâo (Mhd. blâ, Nhd. blau), Ags. bláw, Ofri. bláu, On. blar (Zw. blå, De. blaa) + Lat. flavus = blond, Oier. blár = geel, en verder bij blaken. Ging in ’t Rom. over: Mlat. blavus, It. biavo, Fr. bleu, waaruit Eng. blue.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

blauwe, blauwertje Het ligt voor de hand de borrelnaam blauwe — die aan het eind van de 19de eeuw is gesignaleerd — in verband te brengen met de blauwe knoop, het onderscheidingsteken van de drankbestrijders. De borrelnaam zou dan kunnen worden opgevat als geuzennaam. Maar historisch gezien maakt deze verklaring geen schijn van kans. De drankbestrijders werden namelijk pas halverwege de 19de eeuw actief, terwijl blauwe al in het midden van de 16de eeuw werd gebruikt voor ‘dronken’, waarschijnlijk naar de blauwachtige gelaatskleur van iemand die straalbezopen is. Men zei hij is blauw voor ‘hij is dronken’ en zo blauw als een lei voor ‘zeer dronken’.
De borrelnaam blauwe werd aan het eind van de 19de eeuw vooral in Vlaanderen gehoord, net als blauwertje, een benaming die toen in West-Vlaanderen voorkwam. Dit was nog voor de tijd dat de meest verpauperde zwervers zich aan spiritus vergrepen — in het Bargoens blauw of blauwsel genoemd — dus ook daar hebben deze borrelnamen niets mee te maken. In de Engelse volkstaal wordt slechte jenever wel blue ruin ‘blauw verderf’ of blue stone ‘zwavelzuur’ genoemd. Twee eeuwen geleden waren in Engeland voor gin ook de benamingen blue tape en blue ribbon ‘blauw lint’ in zwang. In het Frans is de term bleu(e) ‘blauwe’ op drankgebied voorbehouden aan slechte wijn — die blauwige vlekken achterlaat op het tafelkleed — en absint.

[Collen 1979:6, 8, & 1990:5; Endt 17; Herroem 61; Nav. 3:286; Staelens 75; WNT II2 2797]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blauw ‘kleurnaam’ -> Frans bleu ‘kleurnaam’ Frankisch; Baskisch blu ‘kleurnaam’ ; Maltees blu, blun ‘kleurnaam’ ; Indonesisch belau, blau ‘blauwsel; kleurnaam’; Ambons-Maleis blau ‘kleurnaam’; Balinees blau ‘kleurnaam’; Jakartaans-Maleis belao ‘kleurnaam’; Javaans blau ‘kleurnaam; kleren met blauwsel behandelen’; Madoerees bālāu ‘kleurnaam’; Menadonees blau ‘kleurnaam’; Nias balau ‘kleurnaam’; Soendanees bilao ‘kleurnaam; blauwsel’; Petjoh blaoe, blauw ‘kleurnaam’; Creools-Portugees (Batavia) blauw, blaauw ‘kleurnaam’; Creools-Portugees (Malakka) blau ‘indigopoeder’; Negerhollands blauw, blou, blau ‘kleurnaam’; Berbice-Nederlands blau ‘kleurnaam’; Papiaments blou (ouder: blaauw) ‘kleurnaam’; Sranantongo blaw ‘kleurnaam; blauwsel; blauw zijn; blauw maken’; Aucaans baaw ‘kleurnaam’; Saramakkaans baáu ‘kleurnaam’ ; Arowaks barautho ‘kleurnaam’; Warau hebulau, jeburau ‘kleurnaam’; Sarnami bláu ‘kleurnaam’; Surinaams-Javaans blau ‘kleurnaam, blauwsel(water)’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

blauw. In 1859 is het eerste woordenboek van het Papiaments verschenen. Een exemplaar ervan werd in 1958 teruggevonden, maar zonder titelpagina, zodat auteur, titel, uitgever en plaats en tijd van uitgave onbekend waren. Recent onderzoek echter heeft de ontbrekende gegevens opgeleverd, en in 2004 is een heruitgave van het werk verschenen onder de titel Woordenlijst der in de landstaal van Curaçao meest gebruikelijke woorden met Zamenspraken, door Bernardus Th.J. Frederiks en Jacobus J. Putman, 1859, Curaçao, Drukkerij van het vicariaat. Putman was verantwoordelijk voor het deel Zamenspraken (dialogen), dat een herdruk was van een reeds in 1853 gepubliceerd boek, terwijl Frederiks de woordenlijst had samengesteld. Op pagina 34 staat een overzicht van kleurnamen in het Papiaments en het Nederlands. Hier staan vermeld:

blankoe - wit, prétoe - zwart, koraal - rood, blaauw/azoel - blaauw, geel (heel) - geel, bérde - groen, bruin - bruin, grijs - grijs, cjinísji - aschgraauw, morá - paars, bleek - bleek.

Aan dit rijtje valt op dat een aantal Papiamentse kleurnamen ontleend is aan het Nederlands, namelijk blauw, geel, bruin, grijs en bleek. De overige namen gaan terug op het Portugees of Spaans. De genoemde Nederlandse leenwoorden komen nog steeds voor in het Papiaments, tegenwoordig op Curaçao gespeld als blou, hel, brùin, gris en blek (gris is inmiddels qua spelling aangepast aan het Spaanse gris). Blauw en geel zijn (naast rood) de primaire kleuren, kleuren dus waarvan je niet verwacht dat de namen uit een andere taal worden overgenomen. Als secundaire kleuren, die ontstaan door menging van twee primaire kleuren, gelden oranje, groen en violet. Van deze drie is de Nederlandse naam oranje door het Papiaments geleend in de vorm oraño. Tevens heeft het Papiaments ros geleend, teruggaand op roze.

Het Indonesisch heeft uit het Nederlands de kleurnamen belau 'blauw' en oranye 'oranje' geleend, en de mengkleuren lila, okér, pastél en violét. Het Sranantongo heeft geleend blaw 'blauw', breiki 'bleek', broin 'bruin', geri 'geel', grun 'groen', oranye 'oranje', persi 'paars' en misschien weti 'wit' (dat laatste kan ook uit het Engels komen; het Sranantongo is immers een Engelse creooltaal).

Nederlandse kleurnamen zijn niet alleen geëxporteerd naar de vroegere koloniën, maar ook naar enkele Europese landen. In dat geval echter beduiden ze niet een kleur, maar een specifieke záák met die kleur. Zo is in het Portugees zuarte de benaming voor een soort katoenen weefsel van zwarte kleur. Engels Bruin of bruin, uitgesproken als /broe-in/, wordt gebruikt als eigennaam ter aanduiding van de bruine beer, bijvoorbeeld: 'During the autumn Bruin may not unfrequently be seen near the vineyards' (in de herfst kan men regelmatig Bruin(tje) tegenkomen in de buurt van de wijngaarden). Het Engels heeft dit woord al in de tweede helft van de vijftiende eeuw overgenomen; het gaat terug op Bruin de Beer, de naam van de beer in het dertiende-eeuwse dierenepos Van den vos Reinaerde. Dit dierenepos is in veel talen vertaald, waaronder het Engels. De naam Bruin wordt ook wel gegeven aan een bruingekleurd huisdier, zoals een abessijn.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat kleurnamen van de ene taal in de andere worden overgenomen: kleuren zijn toch universeel, dus iedere taal zal daarvoor toch wel een eigen benaming bezitten? Toch blijkt dat juist kleurnamen zeer regelmatig zijn geleend van de ene taal in de andere, kennelijk omdat de brontaal kleurnuances onderscheidde die tot dan niet voorkwamen in de ontlenende taal. Zo zijn de Germaanse namen voor kleuren die in de Nederlandse woorden blank, bruin, grijs en vaal zijn blijven voortleven, overgenomen door het vulgair Latijn en vandaar in de Romaanse talen. Waarschijnlijk duidden de Germaanse soldaten met deze namen de kleur van hun paarden aan; in ieder geval verwezen ze naar kleurnuances die voordien bij de Romeinen geen benaming hadden. In het Frans vinden we de Germaanse woorden terug als blanc, brun, gris en fauve. De Romeinen hebben ook het woord voor de typische haarkleur van de Germanen overgenomen, namelijk 'blond', dat in het Frans blond is geworden en in het Nederlands weer is teruggeleend. Het Nederlandse blond is op zijn beurt geleend door het Papiaments als blònt.

In een latere periode heeft het Nederlands allerlei kleurnamen ontleend aan het Frans, die kennelijk tinten aanduidden die tot dan bij ons onbenoemd waren, of die in een bepaalde periode in de mode raakten: in de dertiende eeuw de namen oranje, paars, scharlaken en violet, in de veertiende eeuw azuur en vermiljoen, in de vijftiende eeuw roze, in de zestiende eeuw oker, in de zeventiende eeuw tur­koois, in de achttiende eeuw pastel, en in de negentiende eeuw beige en lila. Een deel van deze geleende namen hebben we vervolgens weer uitgeleend aan andere talen, zo bleek hierboven. Uit de dateringen blijkt dat de kleurnamen niet allemaal tegelijk zijn geleend, maar geleidelijk naarmate het kleurenpalet, ook in het Frans, zich uitbreidde. Ongetwijfeld heeft de internationaal georiënteerde schilderkunst een belangrijke rol gespeeld bij de overname van de kleurnamen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blauw* kleurnaam 1121 [Rey]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

blauwe blazer, hoge piet, voornamelijk in de voetbalwereld; sportbestuurder; bobo*. De term is eind jaren tachtig opgekomen.

Weer een nieuwe organisatie erbij. Een zootje blauwe blazers die een paar keer per week bij elkaar komen. (Youp van ’t Hek: Niks spel, knikkers, 1989)
Cultureel voel ik me daar ook niet thuis, de blauwe blazer. (Vrij Nederland, 02/05/98)

blauw: meer — op straat, leuze waarmee de VVD in 1994 aankondigde dat er meer agenten in het straatbeeld zouden verschijnen om de veiligheid van de burger beter te kunnen waarborgen. Het voorstel stond in een open brief aan de andere partijen, die echter niet formeel reageerden. Bij de kabinetsformatie kwam men tot het aantal van vierduizend agenten. Men wilde een krachtiger bestrijding van diefstal, woninginbraken en geweldscriminaliteit. Daartoe moest het aantal gewone agenten worden uitgebreid. De uitdrukking bestond al eerder in het politiejargon en in Den Haag; pas sinds het midden van de jaren negentig heeft ze algemene bekendheid gekregen.

Meerdere keren werd vanuit Den Haag extra geld in de politie gepompt, zonder dat dit daadwerkelijk leidde tot wat is gaan heten: ‘meer blauw op straat’. (De Volkskrant, 23/09/94)
Meer blauw op straat. Prima. Maar niet in koppels, want één agent op straat doet het beter dan twee. (Elsevier, 15/06/96)
Vooral de geweldscriminaliteit neemt toe. Oplossingspercentages dalen en de dienstverlening van de politie neemt af, vooral in de provincie, waar de ‘aanrijtijden’ van te hulp geroepen agenten onaanvaardbaar lang zijn geworden. Het verkooppraatje van ‘meer blauw op straat’ is niet waargemaakt. (Elsevier, 28/09/96)
De bewindsman verweerde zich gisteren tegen kritiek — met enige regelmaat te horen van vooral het CDA — dat de coalitie haar verkiezingsbelofte ‘meer blauw op straat’ niet waarmaakt. (Trouw, 11/10/96)
Het gebeurt mede op verzoek van het parlement dat nu wel eens wil weten wat gebeurt met de honderden miljoenen die het jaarlijks extra fourneert om meer ‘blauw op straat’ te krijgen. (Elsevier, 14/06/97)
‘Er is te weinig blauw op straat,’ zegt zakenman A. Zandt, eigenaar van het nieuwe hotel dat gebouwd wordt in het centrum van het dorp. (Vrij Nederland, 09/08/97)
blauw liggen is ‘onbedaarlijk lachen; erg veel pret hebben’.
Om kleine dingen konden we blauw liggen. (Vrij Nederland, 25/04/92)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

246. Iets blauw blauw laten,

d.w.z. een zaak laten rusten, er niet over spreken, haar laten zooals zij is; fri. blau blau litte. Eig. luidde de uitdr. blauw blauw laten, d.w.z. wat blauw is, blauw laten blijven, zooals blijkt uit de Seven Engelen van Dienstm. bl. 120: Wie sou soo verstandig zijn, om dit (op ordre) alles te verhalen, sonder den een of d'ander in sijn gemoed te quetsen; daarom is het best, dat wy dit alles met het aloude spreekwoord be-wimpelen; dat is, laat blaau, blaau blijven, een ieder kend sijn selven. Ook Tuinman I, 234: Hy liet blaauw blaauw zijn; vrij dikwijls bij Wolff en Deken (zie Noord en Zuid XXVIII, 23). Vandaar ‘iets blauw blauw laten’, iets laten zooals het is. Zie Harreb. III, 42 b; Leopold I, 190. Synonieme uitdrr. zijn: licht licht laten blijven (Harreb. II, 22 a); laken laken laten blijven (Harreb. II, 3 b); den boel den boel laten (Harreb. I, 65 b); de vloot de vloot laten (Poirters, Mask. 206); de paarden de paarden laten (er zich niet om bekommeren; Beets, C.O. 270).

247. Een blauwe boon,

d.w.z. een kogel, aldus genoemd naar de blauwe kleur van het lood. Deze benaming komt in de 17de eeuw voor; zie Erasmus, Colloquia, 53: Daer gy in 't geraes en gedonder van 't geschut moet staen, dat u de blauwe bonen om de ooren vliegen. Zie verder het Ndl. Wdb. III, 440, waar de benamingen looden boon, huzarenboon, ook boon, in denzelfden zin vermeld worden en vgl. de synonieme benaming zwarte peperkorrel (in het Boere-Krakeel, 114); blauwe erreten (Paffenr. 109); in het hd. eine blaue Bohne, ein blaues Korn; dial. ook Teufelsbohnen, schwarze Erbsen, Pfefferkörner (kanonskogels), Zuckerhütchen (granatenP. Horn, Die deutsche Soldatensprache, 67.); eng. a blue bean, a blue pill; a leaden pill; fr. une prune.

248. Een blauwe Maandag.

Onder den blauwen Maandag (hd. blauer Montag; eng. blue Monday) meent men den Maandag voor het begin der vasten te moeten verstaan, als in de kerk de beelden, het altaar, de doopvont en de kansel met blauwe doeken werden behangen. In de middeleeuwen werd deze dag evenwel goede Maandag genoemd, terwijl niet op dien dag, maar reeds 14 dagen voor den eersten Vastenzondag het behangen met violet-blauwe doeken plaats vondZie mijn art.: Iemand eene blauwe huik omhangen in Noord en Zuid XIV, 31 vlgg. en Borchardt no. 162 noot., zoodat de gewone verklaring om deze redenen moet worden betwijfeld.

In de 17de eeuw wordt deze benaming aangetroffen in Bernagie's klucht van Het Studente-leven, anno 1684, bl. 12: De Jonkers (studenten) zyn alle blaauw maandagen t'huis, en beelden er wel in, datmenze lustig behoorde te onthaalen; Smetius, 99: t Geschiet niet meer dan alle blauw maendags, semper fit, ut quibusdam placet. Hier beteekent ‘alle blaauw maandagen’ elk oogenblik, om een haverklap (Tuinman I, 234), in welken zin men in het fri. ook zegt alle blaumendeis. Het adj. blauw had in de middeleeuwen en ook later de bet. nietig, van weinig waarde (fr. bleuZie Leuv. Bijdr. X, 80; Ndl. Wdb. II, 2789 vlgg. en vgl. nog het fri. blauwe (onware) praetsjes.); vandaar een ‘blauwe maandag’, een maandag van geen beteekenis, die niet meetelt, maar als Zondag, als feestdag beschouwd wordt, waarop men niet werkt (vgl. maandag maken; fr. faire le Lundi; fêter le Lundi; hd. blauen Montag machen; ook blau machen; eng. to blue), d.i. maandag houden of vlaggen (Antw. Idiot. 1382)Vgl. Halma, 333: Maandag houden, 's Maandags niet werken, en in de kroeg gaan, faire le lundi; in het eng. ook to keep saint Monday., dat reeds in het Mnd. voorkomt en bij ons in de 17de eeuw is aangetroffen naast verloren maandag houden d.i. Kopper- maandagDe naam koppermaandag is nog niet voldoende opgehelderd. In het Mnl. Wdb. III, 1886 lezen we, dat men vroeger sprak van coppeldag, copperdag, kopperkensdag. De eerste benaming koppeldag, thans nog in het westvl. bekend in den zin van een op een anderen volgenden feestdag, doet vermoeden, dat de oorsprong wellicht is te zoeken in het ww. koppelen, omdat die feestelijke maandag onmiddellijk op den zondag volgt. Andere verklaringen bij Franck - v. Wijk, 338. houden, in de 16de eeuw Sinte Crispiaen vieren (eig. van de schoenmakersVgl. Menschenw. 322: Die suupt te veul en die hep s'n schoenlappertjes moandag.; Tijdschr. XXI, 92; eng. to make a Saint Crispin's day). Bij uitbr. kon alle blauwmaandagen de bet. aannemen van bij de minste gelegenheid, elk oogenblik, spoedig na elkander, met korte tusschenpoozen; vandaar thans een Blauwe maandag (soms ook een blauwe maand; vgl. eng. a blue moon) = een korte poos, fri. blaumendei. Volgens Schuermans, 38 a beteekent blauwen maandag houden in Limburg op eene kettersche wijze feest vieren. Een synonieme uitdr. was een Blinde Zaterdag, nog in Zuid-Nederland; zie Loquela, 65: blende Zaterdag, Zaterdag die te zelver tijde Hoogdag is, fr. une journée blanche.

250. Een blauwe scheen krijgen of loopen.

Zooals bekend is, bezigt men deze uitdrukking, wanneer iemands huwelijksaanzoek wordt afgewezen. Zij wil eig. zeggen: zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar niet-slagen, en thans uitsluitend: afgewezen worden bij een huwelijksaanzoek. Roemer Visscher schreef reeds 't Loff van de blaeuwe scheen en Winschooten vermeldt, bl. 224: Sijn scheenen stooten, een blaauwe scheen loopen, of korter, een blaauwtje loopen: repulsam pati. Bij Hooft, Ged. I, 226, lezen wij:

 O mannelijke min, die voor genae de neenen

 Zoo wel neemt als de jaen; ghij loopt geen blauwe scheenen.Vgl. verder Brederoo I, 258; 460; Westerbaen II, 759; Poirters, Mask. 177; Hooft, Brieven I, 289: Een blauwtje halen; Van Effen, Spect. VI, 71; Halma, 77: Een blaauwe scheen, of een blaauwtje loopen, ergens vrijen daar 't mislukt, essuyer un refus en demandant une fille en mariage; Harreb. I, 59 b; Ndl. Wdb. II, 2793; 2806; XIV, 336. De Cock2, 135. Hiernaast in de 17de eeuw zijn scheen stooten, o.a. Brederoo II, 127, 3332. In Zuid-Nederland: een schenetuk krijgen, een tegenslag hebben, zijne onderneming mislukt zien (De Bo, 985 b); zich een buil loopen; iets tegen zijne klompen krijgen, iets niet krijgen (Rutten, 116 a); te Antw. 'nen blauwe of 'en blauw' scheen loopen of n'en vos hebben, op 'ne(n) vos rijde of loopen; in het fri. blau rinne, mei in blauwe blês, op in blauwe kjedde (rûn) thús komme, een blauwtje krijgen; blaujaen, een blauwte geven; in blautsje rinne, in blauwe skinne opdwaen of rinne, een blauwtje krijgen; mei de blauselpot omfalle, een blauwtje loopen; in Noord-Holland: blauw halen, een blauwtje loopen (Bouman, 12); in Drente: blauw geven; een jong blauw láoten loopen; hij hef blauw had (Bergsma, 53); te Deventer: 'n blonde schenne krîgen (Draaijer, 5); in Twente: op 'n oost loopen. Ook in het nd. Hie häwt sick eene blauwe schiene loupen (Jahrb. 38, 162).

293. Iemand bont en blauw slaan,

d.w.z. iemand zoo slaan, dat hij gele en blauwe plekken krijgt (vgl. fr. un bleu, een blauwe plek). Syn. van iemand de Rotterdamsche fooi geven (zie Winsch. 59; Sewel, 223; Halma, 145). Oorspronkelijk luidde deze uitdr. iemand blond en blauw slaan, waarin blond de beteekenis had van (geelachtig) blauw, in welken zin het nog in de Graafschap voorkomt (Draaijer, 5), waar men o.a. zegt: hij ziet blond van de kou. Omgekeerd werd in de middeleeuwen blond haar gelu haer genoemd. Vgl. in de 16de eeuw Stadr. v. Steenwijk, 307: Van ymande blont ofte blaudich te slaen. De uitdrukking blond en blauw (dialectisch nog bekend) dateert uit de 17de eeuw, o.a. bij Vondel, Klinckert voorafgaande aan den Palamedes:

 'T en leed geen seven jaer, of Palamedes schaeu
 By nacht, de tenten ging der Rechteren doorwaeren:
 Die resen op verbaest met opgeresene hayren,
 En sagen daer een' schim, mishandelt blond en blaeu.

Zie ook Anna Roemers II, 136; Coster, 193, vs. 1314; Westerbaen II, 731 en Kluchtspel III, 43. In de 18de eeuw treft men haar in dezen vorm aan, o.a. in Van Effen's Spectator I, 180, en bij Halma, 81 (op 77: blaauw en blond), doch ook reeds in de 17de eeuw komt ‘bont en blauw’ voor, o.a. bij Tengnagel, Amsterd. Linde-Bladen (anno 1654), bl. 26:

 't Is nu omtrent een weeck geleen,
 Toen wierdje bond en blaeuw getreen,

zoodat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de laatste zegswijze niet uit maar naast de andere is ontstaan; vgl. Ndl. Wdb. III, 367; II2, 2915.

Te vergelijken is de 17de-eeuwsche uitdr. iemand grauw en blauw slaan, dat volgens De Bo, 386; Waasch Idiot. 265 en Antw. Idiot. 506 nog in Zuid-Nederland gezegd wordt voor blond en blauw slaan; iemand blauw en blot slaan (De Bo, 154); iem. zwart en blauw slaan (Teirl. 180); paars en pimpel (Frequ. I, 448); paars en blauw; het eng. to beat one black and blue; hd. jemanden braun und blau schlagen; dial. nd. einen mit Cölnischer Münte betalen; ook kölsch und blau schlagen (denk aan 't Keulsch blauw aardewerk.Korrespbl. XXVII, 60. In Groningen: Sangenbloubont mos ie joen jong troefelen (Groningen IV, 191).

897. Onder den blooten hemel,

d.i. in de open lucht. In de middeleeuwen en in de 17de eeuw, evenals nu nog in Vlaanderen, onder den blauwen hemel of onder de blauwe lucht; oorspr. bij onbewolkte lucht, bij helder daglicht, daarna: in de open lucht. Tegen het einde der vorige eeuw schijnt het bijv. naamw. blauw door bloot te zijn vervangen, toen men gevoelde dat het eerste adjectief niet uitdrukte, wat men er mede bedoelde. Zie Tijdschrift IX, 130-134; Ndl. Wdb. II, 2789; 2919 en vgl. op de groene deken (op 't gras), wat te vergelijken is met het hd. bei Mutter Grün schlafen.

2402. Hij zal er zijne vingers niet aan blauw tellen,

d.i. zijne vingers zullen niet blauwOmdat metalen altijd eenigszins (blauw) afgeven. Vgl. den spotnaam blauwvingers voor de Zwollenaars (Driem. Bl. VI, 77). worden van het geld tellen (17de eeuw: vingeren); hij zal er niets van krijgen. De zegswijze is in de 17de eeuw bekend, blijkens Smetius, 6: De numeratione vel acceptione pecuniae alterius, daer hebb' ick alleen blauwe handen van; Gew. Weeuw II, 51: G. 'k Meende, ten minsten vijf en twintig gulden daar voor te trekken: thien schellingen! 'k kan 't niet dulden. J. Zo doenden zal ik 'er mijn vingers ook niet blouw aan tellen; Coster, 515, vs. 599; V. Loon, 88; Paffenr. 91: Ik wed dat hy in lang aen mijn penningen sijn vingers niet blau en teld; Tuinman I, 95; 323; II, 36; Sewel, 894; Halma, 714: Hij zal zijne vingers niet blauw tellen aan dat geld, hij zal er niets van hebben, il ne se salira pas les doigts de cet argent; Ndl. Wdb. II, 2794; O.K. 179: Maar Barend Witte gun ik die duiten niet, hij zal er zijn vingers niet aan blauw tellen; Jong. 185: Jelui zal je vingers niet blauw telle..... want 't zal wat weze as 't voor de heere komtZie voor dit gezegde Ndl. Wdb. VI, 337.. Vgl. hiermede: daar zal hij geen vette vingers van likken, daar zal hij niet van smullen (Ndl. Wdb. I, 1160; Tuinman I, 98); hij zal daar niet aan lekken, hij zal daar niets van krijgen (Tuinman I, 323) en hij kan zijn mond afvegen, eig. ‘hij kan zijn mond afvegen, evenals de anderen doen, nadat zij genoten hebben, maar het genot zelf valt hem niet ten deel’ (Ndl. Wdb. I, 1741); Gunnink, 107: hij zal hem daar niet aan beslabben (bemorsen); Zuidndl. hij mag op zijn kin kloppen (Antw. Idiot. 1812); vgl. fr. il n'a qu'à s'en lécher les barbes (ou le bec); hd. er kann sich's Maul (oder den Mund) wischen. Zie no. 2136.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut