Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blasfemie - (godslastering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blasfemie zn. ‘godslastering’
Mnl. blasfemie, blasphemie, blasphemye [1466; MNHWS].
Al dan niet via Oudfrans blasfemie ‘laster’ [1190] uit christelijk Latijn blasphemia < Grieks blasphēmíā, van een onbekend eerste lid en het zn. phḗmē ‘uitspraak, gerucht’, een afleiding van het werkwoord phánai ‘zeggen, spreken’, verwant met → ban.
Bij christelijk Latijn blasphemia hoort het werkwoord blasphemare, waaruit via het Frans → blameren is ontstaan.
blasfemeren ww. ‘godslasteren’. Mnl. blasfemeren [1276-1300; CG II, Lut.A]. Via Frans blasfemer [1360] ontleend aan christelijk Latijn blasphemare bij het zn. blasphemia. In de algemenere betekenis ‘te schande brengen’ is het eveneens via het Frans ontleende, maar aldaar uit het vulgair Latijn ontwikkelde → blameren, gebruikelijker.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut