Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blas - (zacht, flets)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blas* [zacht, flets] {1548} hoogduits blass, verwant met nederlands bles, hoogduits Blesse, middelnederlands blas [paard met bles].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

blas, bn.: bleek. D. blass ‘bleek, vaal’. Ohd. blas ‘met wit voorhoofd’, blasros ‘paard met witte vlek op het voorhofd’, Mhd. blas ‘bleek, kaal’, Os. blas ‘glanzend wit’. Idg. *bhel- ‘glanzend, wit’. Vgl. Wvl. blare ‘paard, koe met witte vlek’, blaarde ‘kaal’, Mnl. blaer ‘bloot, kaal’, Ndl. bles.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

blas b.nw.
1. (streektaal) Effe bleek. 2. Donker van gelaatskleur.
In bet. 1 uit gewestelike Ndl. blas, 'n wisselvorm van die meer gebruiklike bles 'bles', so genoem n.a.v. die wit kol op 'n perd se kop en die kaal plek op die kop van mans wat die gelaat nog witter laat vertoon. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel deurdat blas in die bet. 'effe bleek' op mense van kleur met 'n ligte gelaat toegepas is en daar verkeerdelik aangeneem is dat daar na die donker gelaat van die betrokke mense, en nie na hulle ligte gelaat nie, verwys word. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

blas bleek (Asten, Limburg, Noordoost-Nederland). = hgd. blasz ‘bleek, vaal’ (oudere betekenis: ‘kaal, zwak’). ~ nl. bles, hgd. blas ros ‘paard met een witte vlek op het voorhoofd’, eng. blaze ‘gloed, lichte voorhoofdvlek’. Van een basis die ‘glanzen’ betekent en ook aanwezig is in russ. belyj ‘wit’.
Kocks 130, Amkreutz e.a., 60, Van Dinter 40, Kluge 81-82, Schols/Linssen 122, WALD 1993, 168, IEW 158.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blas: “effens donker v. gelaatskleur” (by blankes); “effens bleek” (by nie-blankes); hou verb. met Ndl. bles (dial. blas, “bleek”), Pd. blas en Hd. blass, (albei) “bleek”, Hd. erblassen, “verbleek”, v. blaar III.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut