Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

blad - (plat uitgroeisel van een plant; voorwerp van die vorm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

blad zn. ‘plat uitgroeisel van een plant; voorwerp van die vorm’
Mnl. blat ‘blad’ [1240; Bern.], blader(e), blade (mv. van blat) ‘blad, bloemblad’ [1226-50; CG II, Pl.gloss.], een blat outs percaments ‘een blad (van) oud perkament’ [1351; MNW-P]; nnl. blad ‘periodiek tijdschrift’ als in Al gaf U Ed. alle dag een blaadje uit [1731; WNT].
Os. blad; ohd. blat (nhd. Blatt); ofri. bled (in samenstellingen) (nfri. blêd); oe. blæd ‘blad’ (ne. blade ‘halm, lemmet, blad van scheepsschroef, blad van de tong’, shoulderblade ‘schouderblad’); on. blað (nzw. blad); < pgm. *blada-.
Met achtervoegsel pie. *-oto- of *-odho- afgeleid van de wortel pie. *bhel- ‘blad’. Met deze wortel zijn verwant: Latijn folium (< *bh(o)l-io-) ‘blad’ (zie → folie); Grieks phúllon (< *bhol-io-) ‘blad’, phullás ‘hoop bladeren, loof’; Tochaars pält (< *bhelt-). Vroeger werd blad meestal afgeleid van dezelfde wortel als → bloeien. Dit is echter door Beekes 1990 op fonologische en semantische gronden ontkracht.
De oorspr. meervoudsvorm van blad was blader, en later naar analogie van andere meervoudsvormen bladeren, net als bij bijv.ei en → lam 1. De vorm bladeren wordt nu alleen nog gebruikt bij blad in de betekenis ‘deel van een plant’. Bij de overige betekenissen hoort de jongere meervoudsvorm bladen. De betekenisuitbreiding van ‘blad papier’ naar ‘tijdschrift’ is vergelijkbaar met die van Engels paper.
Lit.: R. Beekes (1990) ‘Bloem en blad’, in: Moerdijk e.a. 1990, 377

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

blad* [orgaan aan takken, vel papier] {blat 1201-1250} oudsaksisch blad, oudhoogduits blat, oudfries bled, ablautend oudhoogduits bluot [bloesem], verwant met bloeien. De uitdrukking in een goed blaadje staan [goed aangeschreven staan] vermoedelijk naar Openbaring 20:12-15. De uitdrukking geen blad voor de mond nemen [onbewimpeld spreken] wil zeggen ‘niet van een blad papier spreken, maar ondoordacht spreken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

blad znw. o., mnl. blat (mv. blader, bladere, blade), os. blad, ohd. blat, ofri. bled (in samenst.), oe. blæd (ne. blade ‘halm, lemmet, schouderblad), on. blað. Daarnaast staat abl. ohd. bluot v. ‘bloesem’, oe. blēd ‘bloesem, vrucht, twijg’. — Idg. alleen te vergelijken toch. pält ‘blad’. — De grondvorm idg. *bhləto behoort tot de stam van bloeien.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

blad znw. o., mnl. blat (mv. blāder(e), blāde) o. = ohd. blat (nhd. blatt), os. blad, ofri. bled (in samenst.), ags. blæd (eng. blade “halm, lemmet, (schouder)-blad”), on. blað o. “blad”, ablautend met ohd. bluot v. “bloesem” (nhd. blüte), ags. blêd v. “bloesem, twijg, vrucht”. Van denzelfden wortel bhlĕ-, bhlŏ- als bloeien. Formantisch vgl. ier. blâth “bloesem”. Bhlê- is een ablautstrap van bhelê-, dat weer een langere vorm is van de bij bal I (zie ook blazen) besproken basis bhel- “zwellen”; hiervan gael. bile “blaadje, bloesem”, lat. folium, gr. phúllon “blad”. Onwsch. is verwantschap van blad enz. met gr. blastós, blástē “spruit”, blastánō ”ik ontkiem”, die idg. ml- hebben en wel gecombineerd worden met gr. blṓskō, aor. émolon, “ik ga”, blōthrós “hoog”, ags. molda m. “hoofd”, oi. mûrdhán- “hoofd, voorhoofd, top”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

blad. Owvla. (herb.) -blat in samenst.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

blad 1 o., Mnl. blat, Os. blad + Ohd. blat (Mhd. blat, Nhd. blatt), Ags. blæd (Eng. blade = blad van een zwaard), Ofri. bled, On. blad (Zw. en De. blad), daarnevens Ohd. bluot, Ags. bléd = bloesem + Gr. phúllon, Lat. folium, Oier. bláth: Idg. wrt. bhol of bhlo: z. bloeien en bloem. Blad papier, omdat men eerst (b.v. de sibylle) op echte bladen schreef; een speelkaart heet blad, daar een spel een boek heet; van daar het blad (d.i. de kaart) is gekeerd; een blad voor den mond nemen is een zinspeling op het vijgenblad.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

blaad (zn.) blad; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) blaad, Vreugmiddelnederlands blat <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. blad: Javaans blad (het), naam voor enige sierplanten met bonte bladeren die wellicht alle gekweekt zijn uit één, van Java afkomstige soort, de AN siernetel (Coleusblumei, Bradibitafamilie*). Zie Ost. 184.

II. blad zn., (ook:) 1. (het, -en), vuilnisblik, i.h.b. in de combinatie blad* en bezem. - 2. (het), (papier)geld. Ik ben namelijk bang dat als die kei* geluk had gehad, ik een of andere rijkemanszoon zou zijn nu. Met een hoop blad in mijn zak en een hoop modder in mijn kop (Dobru 1968: 21). - 3. (het), bedrag in guldens*. Het was een koelie* die de creoolse* Maagdenstraatprostituée Rinia van een oog afhielp, weliswaar nadat ze hem naar zijn zeggen van duizend blad had afgeholpen, althans een bedrag groter dan haar stukloon (Van Teylingen 29). - Etym.: (2) Vgl. AN b. = stuk papier; Cairo (1978b: 141) gebruikt bladgeld. Ook kan eraan gedacht worden dat er bonoeman* zijn die iemand kunnen doen geloven, dat een planteblad een bankbiljet is: zie Cairo 1979: 87. - Syn. van 1 vuilblad*, vuilnisblad*. Zie i.v.m. 2 ook: blad* maken, specie*, spek*, vel* (1).
— : blad en bezem (de), stoffer en blik. - Etym.: Zie blad* (II.1), bezem*.
— : blad maken (maakte, heeft gemaakt), geld verdienen. Wel, brother, terwijl ik je dit zo schrijf zitten wij midden in een aktie van medische specialisten. Die mannen* vinden dat ze niet genoeg blad maken (WS 1982). - Etym.: Zie blad* (II.2). Bij Rappa (1984: 126) blat maken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

blaar I: “deel v. plant”; Ndl. blad, mv. bladeren (Mnl. blat, mv. blade/blader(e), maar Kil het reeds blader as ekv., vgl. Bosh VT 107), Hd. blatt, Eng. blade, hoërop verb. m. Lat. folium en Gr. phullon, “blad”; Afr. kan blaar uit Ndl. mv. hê of Kil se blader (vetus, d.w.s. veroud.) deur gew. sink. v. intervok. d ontw. het.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Blad (van een boom) van den Idg. wt. blo: zie Bloeien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

blad ‘orgaan aan takken’ -> Negerhollands blaaer, blaër, blā ‘orgaan aan takken; struik, struikgewas; gebladerte, bladeren’; Berbice-Nederlands blaru ‘orgaan aan takken’; Papiaments blachi (ouder: blaadji) ‘orgaan aan takken’; Sranantongo blat ‘orgaan aan takken’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) bla ‘orgaan aan takken’ .

blad ‘vel papier’ -> Javaans blad ‘gelinieerd vel papier’; Creools-Portugees (Ceylon) blada, blade, bladé ‘vel papier’; Papiaments blachi (ouder: blaadsji) ‘vel papier’; Sranantongo blat ‘deel van een boek; papiergeld’; Surinaams-Javaans blatye ‘vel papier’.

blad ‘plat, breed voorwerp of deel van een voorwerp, (metalen)plaat’ -> Creools-Portugees (Ceylon) blate ‘blik’; Papiaments blat ‘benaming van platte voorwerpen of platte onderdelen daarvan; lemmet’.

blad ‘(verouderd) genot, vruchtgebruik’ -> Fries bladeren (yn 'e/syn bladeren) ‘rente, vruchtgebruik (in zijn nopjes)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

blad* orgaan aan takken 1240 [Bern.]

blad* vel papier 1617 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

241. Het blaadje is (om)gekeerd (of omgeslagen),

d.w.z. de zaak is geheel veranderd, heeft een ander aanzien gekregen; eig. bet. het blad (of blaadje) omkeeren, het blad van een boek omkeeren, om het (onverwachte) vervolg, den onverwachten afloop te laten zien. De uitdr. doet denken aan Reynaert II, vs. 6168:

 al heeft dat ongheval nu mi
 aldus onder tnet ghevaen,
 dat blat dat mocht noch ommeslaen.

Zie verder bij Campen, 132: Kiert het blad omme; Sart. I, 6, 21: Stilum vertere, 't Bladt om keeren; 10, 31: Vertere vela, funem reducere. 't Bladt om keeren, est in diversum mutare sententiam, vitaeque institutum; zie ook III, 3, 45; Winschooten, 169: Het blaadje sloeg om: dat is, de saak nam een andere keer. Zie verder het Ndl. Wdb. X, 307; 506; II, 2767; Harreb. I, 59 b; III, 130 b; Huygens, Cluysw., 365; Hofwijck, vs. 1069; Pers, 409 a; 670 a; Van Effen, Spect. XI, 94; 98, enz. In Zuid-Nederland hij heeft zijn bla(a)dje gekeerd, hij is veranderd van gedachte (Joos, 113; Schuermans, 57 b en De Bo, 141 a); in het fri.: it bledtsje is omteard (omgevouwen). Opmerking verdient dat in bledtsje omkeare in het fri. beteekent ‘een kaartje leggen’Vroeger sprak men ook ‘van de bijbel van 52 bladen’ of ‘het boek met 52 bladen’ (een spel kaarten); thans in het fri. de twa en tritich blêdden; drentsch: de bibel van 32 blaoden (Bergsma, 48)., terwijl in Leuven en omstreken ‘de kaart is gekeerd’ gebezigd wordt in den zin van het blaadje is gekeerd (Schuerm. Bijv. 142 a; in het Waasch Idiot. 316 in den zin van: de kans is veranderd). Vgl. hd. das Blatt hat sich gewendet; fr. la carte est tournée (Halma). In het Mnl. kende men in denzelfden zin: die terninc (dobbelsteen) is ommegekeert; zie Mnl. Wdb. V, 140.

242. In een goed (of slecht) blaadje staan,

d.w.z. ergens goed aangeschreven zijn, goed of slecht te boek of te bladZie Rusting, 213: 't Schreyen toont sig al wat raars; althans daar moet het voor te blat staan. staan; fr. être bien ou mal noté. Bij Roemer Visscher, Brabbeling, 6: In 't qua blaedtken staen, d.i. op het blad, waarop de slechte betalers worden genoteerd; zie verder Hooft, Brieven, 133; 345; V. Moerk. 567; Pers, 281 a; 284 a; Van Effen, Spect. V, 35; XI, 6; Ndl. Wdb. II, 2767. Waarschijnlijk heeft in de bet. op (vgl. bij Hooft, Brieven, 402: 't Zwart in 't wit hebben d.i. zwart op wit hebben.Zie ook de opmerkingen in Taal en Letteren I, 276 en vgl. Mnl. Wdb. III, 816. Volgens Welters, 97, zegt men in Limburg: ‘op een slecht blaadje staan’; evenzoo in het Antw. en Westvl.: bij iemand op een goed of slecht blaadje (blaaiken) staan; zie Antw. Idiot. 245; De Bo, 141, waar uit Poirters wordt aangehaald:

 Met veynzen wort hier niet ghedaen,
 Ten sy wy op t' schoon blaeyken staen.

Zie ook Joos, 74 en vgl. nog het fri.: hy stiet yn in goed bledtsje of yn in goed boekje, waarmede te vergelijken is het eng. to be in the (good) books of the bad (black) books; Rutten, 32 b: op iemands zwarten boek staan, iemands vijand zijn; Waasch Idiot. 120 a: bij iemand op een slecht, op een zwart of op het leste blaadken staan, in ongunst aangeschreven zijn; op een wit blaadken staan, de gunst genieten.

243. Omgekeerd (of veranderd) als een blad,

d.w.z. geheel van karakter, van gezindheid veranderd zijn; eig. veranderd, of omgedraaid als een blad op een boom, zooals ook wel gezegd wordt (zie Harreb. I, 60 en vgl. beven als een blad naast nml. al die werlt bevede gelijc een blat op enen boom.Maria Leg. II, 141. Zie Van Effen, Spect. V, 219: Dog nauwlyks vond ik my door zo eene langduurige ondervinding harer deugd, van die jaloursche stuipen geneezen, en ik wierd niet meer door de minste agterdogt gepynigt, of de gansche waereld merkte dat ze om- gekeerd was als een blad; C. Wildsch. III, 271: Uw Oom is dan omgekeerd als een blad; Twee W.B. 95: Hij is opeens as een blad an een boom veranderd. Zie het Ndl. Wdb. X, 313; II, 2764 en vgl. het fri. hy is omkeard as in blêd oan in beam.

244. Geen blad (of blaadje) voor den mond nemen,

d.w.z. ronduit, onbewimpeld zijn meening zeggen, 17de eeuw uit den mond spreken; 18de eeuw: joffer uit den mond spelen (Halma, 358). In de 18de eeuw komt deze zegswijze voor bij Tuinman I, 39: ‘Hy neemt geen blad voor den mond, dit zegt men van ymand, die vry uit en onbewimpelt eenen anderen zijne feilen en misbedrijven onder den neus wrijft’; Harreb. I, 60. In het hd. is de uitdr. zeer gewoon: kein Blatt vor (den Mund) nehmen, eig. wat men zegt niet van een blad lezen, waarop alles wel overwogen geschreven staat, doch het zeggen zonder er vooraf over nagedacht te hebben. Vgl. Handelsblad, 25 Maart 1909 (ochtendblad 2 bl., k. 5): De heer Brummelkamp is namelijk het tegendeel van iemand die ‘geen blad voor den mond neemt’. Hij spreekt altijd met het papiertje waarvan hij leest, vlak voor den mond; Lev. B. 63: Kijk, ik ben niet gewoon een blaadje voor m'n mond te nemen, en daarom zeg ik ronduit; Prikk. V, 8: Ik neem geen blad voor mijn mond ook, en zei hem ronduit dat zoo'n juffie toch niets voor hem was; Handelsblad, 27 Maart 1914 (avondbl.) p. 1, k. 2: Weest niet zoo ongematigd als ik, Duys, steeds geweest ben. Neemt een blad voor uw mond; De Tijd, 3 April 1914, p. 1 k. 5; Het Volk, 22 Mei 1914, p. 1 k. 1; 24 Oct. 1914, p. 5 k. 1. In De Arbeid, 9 Januari 1915, p. 4 k. 2: Als het noodig is de houding dier anderen te bespreken, neem ik ook geen doekje voor de lippen.

582. Daar is geen woord Fransch bij,

dat is duidelijke taal, voor ieder verstaanbaar Nederlandsch; gebezigd, wanneer men iemand in krasse of grove bewoordingen iets zegt en geen blad voor den mond neemt (hd. kein Blatt vor den Mund nimmt). Vgl. M.z.A.: 't Gaat er soms erg Spaansch toe, maar wat je er hoort is zuiver Hollandsch - geen woord Fransch er bij, zooals men wel eens zegt; Kalff, Het Onderwijs in de Moedertaal, bl. 129: Moet men gaan vermoeden dat de behoefte waarin dat boek voorzien zal, eigenlijk de behoefte van den bloemlezer aan een nieuw melkkoetje is, dan moet hem dat, in het belang van het onderwijs ‘met geen woord Fransch er bij’ gezegd worden; Schoolblad XLIV, 283: Daar is nu, zooals men zegt, geen woord Fransch bij; Antw. Idiot. 2136: Dat is plat Vlaamsch, dat is ronduit gesproken; verstade geen Vlaamsch, tot iemand die niet hooren of luisteren wil; Harreb. I, 162 b: Gij liegt het; dat is Duitsch (of Hollandsch): dat kunt gij verstaan; Ndl. Wdb. VI, 882: Dat is (goed) Hollandsch! dat is ronde, onverbloemde taal; in de 17de eeuw duitsch spreken (o.a. bij Huyghens, Hofwijck vs. 1457); fri. ik forstean gjin Frânsk, ik wil uw dubbelzinnige taal niet begrijpen. In vele talen wordt deze zegswijze op dergelijke wijze uitgedrukt; vgl. fr. parler français, parler clairement; hd. Deutsch reden, ohne Umschweife und Hintergedanken, frei heraus, kurz, klar und ehrlich grob; de. at tale Dansk med En; eng. to speak (plain) English; lat. latine loqui, eerlijk, openhartig spreken; Joos, 107: iemand Vlaamsch leeren, iemand afranselen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut